Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7521

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200306866/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 2002, het bestemmingsplan "Zevenbergschen Hoek - Kom" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306866/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Zevenbergen,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Zevenbergschen Hoek,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 2002, het bestemmingsplan "Zevenbergschen Hoek - Kom" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 2 september 2003, no. 891953, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 15 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2003 en appellanten sub 2 bij brief van 16 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de gemeenteraad van Moerdijk. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2004, waar appellant sub 1 in persoon, appellanten sub 2 in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Toenbreker, ambtenaar van de provincie,

zijn verschenen.

Tevens is de gemeenteraad van Moerdijk, vertegenwoordigd door ing. E. Alderliesten, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied omvat de kern van Zevenbergschen Hoek en wordt begrensd door de spoorlijn, de nieuw aan te leggen Hoge Zeedijk, de uitbreidingslocatie Zuid, het evenemententerrein en het Bossche Lijntje. Het plan voorziet deels in een regeling voor nieuwe ontwikkelingen in verband met de aanleg en inpassing van een gedeelte van de Hogesnelheidslijn-Zuid (hierna: HSL-zuid) en de verbreding van de A16. Daarnaast wordt beoogd een actuele planologische regeling te geven voor de kern Zevenbergschen Hoek.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Groen” met de aanduidingen “differentiatievlak HSL-zone” en “indicatieve spoorsloot” voor zijn perceel aan de [locatie], voorzover deze gronden voor de inpassing van de HSL-zuid zullen worden benut. Hij voert hiertoe aan dat hij een woonbestemming voor zijn gronden wenst, die voorziet in handhaving van de daar aanwezige schuur.

2.2.1. De gemeenteraad heeft het geven van voornoemde bestemming en aanduidingen en het niet toekennen van de door appellant gewenste bestemming aan zijn gronden gebaseerd op het inmiddels onherroepelijke Tracébesluit Hogesnelheidslijn-Zuid (hierna: het Tracébesluit).

2.2.2. Verweerder heeft dit gedeelte van het plan goedgekeurd. Hij heeft daarbij van belang geacht dat het perceel van appellant deel uitmaakt van de gronden waarop het Tracébesluit ziet. Volgens verweerder volgt uit het Tracébesluit dat de daarin weergegeven inpassingszone in het plan dient te worden opgenomen en dat de bebouwing op het perceel van appellant dient te worden gesloopt.

2.2.3. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Tracéwet, zoals dit ten tijde van het nemen van het Tracébesluit luidde, heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het Tracébesluit vastgesteld.

Ingevolge artikel 15, negende lid, van de Tracéwet, dat ingevolge artikel III, eerste lid, van de Wet tot wijziging van de Tracéwet van 6 september 2000 (Stb. 396) van toepassing is, is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar nadat het Tracébesluit onherroepelijk is geworden het bestemmingsplan overeenkomstig dat Tracébesluit vast te stellen of te herzien.

2.2.3.1. Op kaartblad 93 van het Tracébesluit (kaart Tracédeel 6), is het gedeelte van het tracé waar de gronden van appellant liggen weergegeven. Blijkens dit kaartblad zijn de onderwerpelijke gronden aangeduid als “inpassingszone”.

Uit het Tracébesluit blijkt dat de voor inpassingsmaatregelen aangewezen gebieden dienen te worden opgenomen in de ten behoeve van de HSL-zuid en de werken aan de snelweg A16 vast te stellen bestemmingsplannen.

Het als “inpassingszone” aangeduide gebied waarvan de gronden van appellant deel uitmaken, dient volgens de in het Tracébesluit opgenomen tabel voor een parkachtige inrichting met opgaande beplanting als afscherming van de infrabundel en voor een ingepaste fietsroute.

De schuur van appellant is op het genoemde kaartblad aangeduid als “aan de bestemming te onttrekken bebouwing”.

Ook uit de in het van toepassing zijnde Tracédeelrapport opgenomen toelichtende tabel blijkt dat de bestaande bebouwing op het perceel [locatie] dient te worden gesloopt.

Gesteld noch gebleken is dat het plan wat betreft de gronden van appellant niet in overeenstemming is met het Tracébesluit.

Geoordeeld moet verder worden dat een plan, dat, zoals appellant wenst, voorziet in een woonbestemming voor zijn perceel en in handhaving van de schuur, zich niet zou verdragen met het Tracébesluit. Artikel 15, negende lid, van de Tracéwet staat aan de vaststelling van een dergelijk plan in de weg.

Gelet op het bovenstaande kan in hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat verweerder het plan in zoverre ten onrechte heeft goedgekeurd.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.3. Dit beroep dient te worden beoordeeld met inachtneming van het volgende toetsingskader. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder bij het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Wonen, B”, voor de gronden ten noorden van hun woonpercelen aan de [locatie].

Zij voeren aan dat hiermee is gehandeld in strijd met de toezegging dat de verkaveling van het gebied overeenkomstig het verkavelingsplan van 1998, dat ter plaatse niet in een woonbestemming voorzag, zou plaatsvinden.

Appellanten achten de onderwerpelijke woonbestemming bezwaarlijk in verband met aantasting van hun privacy.

2.4.1. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de woonbestemming, in afwijking van de door appellanten bedoelde verkavelingsschets, is voorzien in het zuidelijke gedeelte van het zogenoemde eiland, omdat voor alle eilanden is gekozen voor een soortgelijke opzet. Daarnaast is de toekenning van de woonbestemming aan de onderwerpelijke gronden een uitvloeisel van de keuze om in het noordoostelijke deel van het eiland een speelplaats aan te leggen. Om stedenbouwkundige en verkeerskundige redenen heeft de gemeenteraad het wenselijk geacht om, in afwijking van voormelde oorspronkelijke verkaveling, de speelplaats op die plek te situeren.

De gemeenteraad heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de voorziene woningen nauwelijks een aantasting van de privacy van appellanten tot gevolg zullen hebben.

2.4.2. Verweerder heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij heeft met het standpunt van de gemeenteraad ingestemd.

2.4.3. De Afdeling overweegt dat zij geen aanleiding ziet om te oordelen dat de keuze van de gemeenteraad voor de in het plan voorziene verkaveling, met een woonbestemming voor de onderwerpelijke locatie, niet op deugdelijke gronden berust. Naar het oordeel van de Afdeling staat artikel 3, eerste lid, aanhef en eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften, zoals dat in deze procedure nader is toegelicht, aan de realisering van de woonbestemming ook niet in de weg.

Naar aanleiding van het betoog van appellanten dat hun is toegezegd dat de verkaveling volgens het verkavelingsplan uit 1998 zou plaatsvinden, wijst de Afdeling erop dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust bij de gemeenteraad. Niet is gebleken van aan de gemeenteraad toe te rekenen toezeggingen in de door appellanten gestelde zin.

Voorts is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat een woonbestemming voor de onderwerpelijke gronden zal leiden tot een ernstige aantasting van de privacy van appellanten. Daartoe neemt de Afdeling in aanmerking dat tussen de gronden waaraan in het plan een woonbestemming is toegekend en de woningen van appellanten een groenstrook is voorzien waaraan de achtertuinen van de woningen van appellanten grenzen.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Rooy

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

59-425.