Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200306883/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk Afd. 5.2 Vo, Nr. 1359/03 en 2035/03, heeft verweerder het verzoek van appellant om met betrekking tot de inrichting van [vergunninghoudster] aan de [locatie] te Landgraaf over te gaan tot handhaving, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306883/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk Afd. 5.2 Vo, Nr. 1359/03 en 2035/03, heeft verweerder het verzoek van appellant om met betrekking tot de inrichting van [vergunninghoudster] aan de [locatie] te Landgraaf over te gaan tot handhaving, afgewezen.

Bij besluit van 30 september 2003, kenmerk 3.2 Hu, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. P. Bauer, advocaat te Landgraaf, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F.A.E. van der Heijden-Schaaf en M.G.M. Voncken, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. J.J.A. van de Ven, gemachtigde, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft betrekking op een vleesverwerkend bedrijf waarvoor bij besluit van 13 juni 1996 een revisievergunning is verleend. De inrichting is gevestigd op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. De woning van appellant is ook gelegen op dit terrein.

2.2. Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaald dat het gemeentebestuur bevoegd is tot het toepassen van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

2.3. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte zijn bezwaren tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving ongegrond heeft verklaard. Appellant wijst er op dat de door hem ondervonden geluidhinder vanwege de eind september 2002 gewijzigde bedrijfsvoering van de inrichting aanzienlijk is toegenomen. Hij voert aan dat verweerder de geluidnormen uit de vigerende vergunning van 13 juni 1996 dient te handhaven, ook al heeft vergunninghoudster in verband met deze wijzigingen een aanvraag om revisievergunning ingediend. Appellant betoogt verder dat uit het door hem in het kader van zijn handhavingsverzoek overgelegde akoestisch rapport van 1 mei 2002 van adviesbureau Jos Rebsaet blijkt dat sprake is van overschrijding van de geluidnormen.

2.3.1. Verweerder stelt dat hij weliswaar bevoegd was handhavend op te treden maar in redelijkheid daarvan heeft kunnen afzien. De geluidbelasting na de gewijzigde bedrijfsvoering is ten opzichte van de geluidbelasting zoals die feitelijk was in de oude, vergunde, situatie afgenomen van 65 dB(A) naar 59 dB(A), aldus verweerder. Voorts heeft vergunninghoudster volgens verweerder op 15 augustus 2003 in verband met de gewijzigde bedrijfsvoering een aanvraag voor een revisievergunning ingediend. Verweerder acht het op grond van het daarbij overgelegde akoestisch onderzoek van juni 2003 van DHV Milieu en Infrastructuur B.V. aannemelijk dat in de aangevraagde situatie voldaan zal kunnen worden aan een grenswaarde van 60 dB(A). Deze waarde is voor woningen op een industrieterrein volgens de Handreiking aanvaardbaar. Verweerder overweegt verder dat het akoestisch rapport dat appellant in het kader van zijn handhavingsverzoek heeft overgelegd dateert van vóór de gewijzigde bedrijfsvoering en meent dat hij het rapport op deze grond in redelijkheid buiten beschouwing heeft kunnen laten.

2.3.2. In het aan de voor de inrichting verleende vergunning verbonden voorschrift B.1 is onder meer bepaald dat het equivalente geluidniveau (Laeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede veroorzaakt door de in de inrichting verrichte werkzaamheden, ter plaatse van een niet tot de inrichting behorende woning niet meer mag zijn dan:

55 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

50 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);

45 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).

2.3.3. Niet in geschil is dat de feitelijke geluidbelasting op de gevel van de woning van appellant na de gewijzigde bedrijfsvoering 59 dB(A) bedraagt. Daarmee is sprake van een overtreding van voorschrift B.1 en is verweerder in zoverre bevoegd om tot handhaving over te gaan.

2.4. Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van handhaving, overweegt de Afdeling dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting vóór het nemen van het bestreden besluit bij verweerder een aanvraag voor een milieuvergunning is ingediend en door verweerder in behandeling is genomen. Uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport blijkt dat kan worden voldaan aan de 50 dB(A) zonegrenswaarde. De Wet geluidhinder voorziet in zonering van industrieterreinen en waarden die voor de geluidbelasting van gevels van woningen binnen de zone als ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. De Wet geluidhinder voorziet echter niet in geluidgrenswaarden die gelden voor op een gezoneerd industrieterrein gelegen woningen. Voor de woning van appellant gelden dan ook geen geluidgrenswaarden die ingevolge die wet in acht moeten worden genomen. Zoals de Afdeling bij uitspraak van 28 maart 1996, no. E03.94.0081 (BR 1996/405), heeft overwogen, kan de geluidbelasting op een dergelijke woning niet bepalend zijn voor de beslissing op de vraag of al dan niet een vergunning kan worden verleend voor een inrichting op dat industrieterrein.

Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat spoedige legalisering op grond van voormelde aanvraag mogelijk is. Dat verweerder voornemens is bij de nieuwe revisievergunning een etmaalwaarde voor te schrijven van 60 dB(A) ten aanzien van woningen op dit terrein, maakt dit niet anders. De Afdeling is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het nemen van handhavende maatregelen.

2.5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Trippert-van Gemeren

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

289.