Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7514

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200306896/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: het college) aan Libertel B.V. (thans: Vodafone-Libertel N.V., hierna: Vodafone) bouwvergunning verleend met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) (hierna: WRO) voor het plaatsen van een mast met antennes en een technische ruimte voor een mobiel telefoonnetwerk op het perceel Buurtweg 3b te Doorn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306896/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Doorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 september 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Doorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: het college) aan Libertel B.V. (thans: Vodafone-Libertel N.V., hierna: Vodafone) bouwvergunning verleend met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) (hierna: WRO) voor het plaatsen van een mast met antennes en een technische ruimte voor een mobiel telefoonnetwerk op het perceel Buurtweg 3b te Doorn.

Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 4 december 2001 gedeeltelijk gewijzigd en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2003, verzonden op 5 september 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 december 2003 heeft Vodafone en bij brief van 12 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 20 februari 2004 zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2004, waar appellant in persoon, het college, vertegenwoordigd door

mr. drs. I. van Loon, advocaat te Utrecht, en Vodafone, vertegenwoordigd door mr. D.C.A. Otten, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat het plaatsen van een antennemast en een technische ruimte voor een mobiel telefoonnetwerk in strijd is met het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied, derde herziening”. Om bouwvergunning te kunnen verlenen voor deze antennemast heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19 van de WRO (oud).

2.2. Appellant stelt dat de rechtbank heeft miskend dat het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2000” nog slechts ambtelijk in voorbereiding was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, zodat dit niet als basis voor de vrijstelling mocht worden gebruikt. Dit betoog slaagt niet. Volgens de 2e wijziging nota flexibiliteitsbepalingen WRO (hierna: de nota) van de gemeente Doorn, die door het college als beleidskader wordt gehanteerd voor de toepassing van artikel 19 van de WRO, kan bij een ontwikkeling van boven-individueel belang, die niet kon worden voorzien bij de vaststelling van het bestemmingsplan, toepassing worden gegeven aan artikel 19 van de WRO. Aan dit criterium wordt voldaan. In de nota is voor deze categorie van gevallen niet de eis geformuleerd dat er een ontwerp-bestemmingsplan moet zijn dat is aangepast aan de inspraakreacties op grond van artikel 6a van de WRO en waarover overleg als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 moet hebben plaatsgevonden dan wel dat een advies van de Provinciale Planologische Commissie (PPC) moet zijn uitgebracht.

2.3. Appellant stelt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan en dat bovendien moet worden betwijfeld of dit onderdeel van het plan wel door het college van gedeputeerde staten zal worden goedgekeurd. Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 12, vierde lid, onder a, van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan mogen op de gronden met de bestemming “Recreatieve doeleinden II” bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. De antennemast voldoet niet aan de in het vierde lid, onder d, vermelde hoogtebepalingen. In artikel 19 van de voorschriften is echter een algemene vrijstellingsbepaling opgenomen. Uit het bepaalde onder g, sub 2, volgt dat het college vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in het plan voor het overschrijden van de bepalingen inzake de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 40 meter ten behoeve van telecommunicatiemasten. De hoogte van de antennemast is minder dan 40 meter, zodat het college terecht geen strijd met dit in voorbereiding zijnde bestemmingsplan aanwezig heeft geacht. In dit verband is niet relevant of voor het college reden bestond te betwijfelen of het college van gedeputeerde staten van Utrecht te zijner tijd goedkeuring zou verlenen aan deze bepaling, nu dit college een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven voor het in geding zijnde bouwplan.

2.4. Ook het betoog dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet faalt. Ingevolge deze bepaling, zoals deze luidde vóór 3 april 2000, kan het college van burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid van dit artikel de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben. Aan deze voorwaarden wordt voldaan, zodat niet valt in te zien dat de rechtbank in dezen een tegenstrijdig oordeel heeft gegeven. De rechtbank is voorts op goede gronden tot het oordeel gekomen dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de belangen bij plaatsing van de zendmast zwaarder wegen dan het belang van appellant bij het niet plaatsen daarvan. De rechtbank heeft daarbij terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de voorgestane bouw van de antennemast plaatsvindt op een sportpark, waar reeds een groot aantal verlichtingsmasten van aanzienlijke hoogte aanwezig is. De rechtbank is aldus op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de planologische uitstraling van de antennemast niet van zeer grote betekenis is.

2.5. Het argument van appellant dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan zijn stelling dat het college slechts heeft volstaan met gegrondverklaring van een deel van zijn bezwaren zonder een nader besluit te nemen, mist feitelijke grondslag. Het college heeft in de beslissing op bezwaar, na het bezwaar gedeeltelijk gegrond te hebben verklaard, bepaald dat de verlichtingsarmatuur op 20 meter hoogte dient te worden aangebracht en voorts alsnog een aanlegvergunning verleend voor de verharding die deel uitmaakt van het bouwplan. De Afdeling deelt in dit verband niet de stelling van appellant dat het besluit van 4 december 2001 vanwege de verlaging van de hoogte van de verlichtingsarmatuur geheel had moeten worden herroepen. Voor het overige kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank niet inhoudelijk is ingegaan op hetgeen appellant – tijdig – in beroep naar voren heeft gebracht.

2.6. De grond dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van appellant in het bezwaarschrift dat het bouwplan niet op de wettelijk voorgeschreven wijze ter inzage zou hebben gelegen, dient buiten beschouwing te blijven, aangezien appellant deze grond niet tijdig bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

218.