Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7510

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200307340/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2003, kenmerk dgwm/2003/12138, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de vennootschap onder firma "Julianahaven v.o.f." een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor het opslaan en bewerken van primaire grondstoffen, bouw- en sloopafval en daarmee te vergelijken bedrijfsafval op het perceel Kilkade 12 te Dordrecht, kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie L, nummer 2428. Dit besluit is op 29 september 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/5129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307340/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2003, kenmerk dgwm/2003/12138, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de vennootschap onder firma "Julianahaven v.o.f." een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor het opslaan en bewerken van primaire grondstoffen, bouw- en sloopafval en daarmee te vergelijken bedrijfsafval op het perceel Kilkade 12 te Dordrecht, kadastraal bekend gemeente Dordrecht, sectie L, nummer 2428. Dit besluit is op 29 september 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Pennekamp-Topman, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J.D. Rombout en J. Pruissen, gemachtigden, als partij gehoord. Appellant is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is een veranderingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de opslagcapaciteit van ongebroken en gebroken beton- en metselwerkpuin van 15.000 ton naar 29.000 ton en voor het in bedrijf hebben van een zogenaamde puinvergruizer om grof betonpuin te verkleinen.

Bij besluit van 12 maart 1996 heeft verweerder ten behoeve van de inrichting een oprichtingsvergunning verleend voor het opslaan en bewerken van primaire grondstoffen, bouw- en sloopafval en daarmee te vergelijken bedrijfsafval.

2.2. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de geluidvoorschriften uit de vigerende vergunning van toepassing heeft verklaard op de veranderde inrichting. Hij stelt zich op het standpunt dat voor de uitbreiding nogmaals de geluidbelasting wordt vergund die is vergund in de oprichtingsvergunning. Hierdoor wordt volgens appellant een extra geluidruimte van 3 dB(A) vergund. Indien het bestreden voorschrift al betrekking heeft op de gehele inrichting, wordt hiermee de grondslag van de aanvraag verlaten, aldus appellant.

2.2.1. Verweerder overweegt in het bestreden besluit dat met het begrip “de veranderde inrichting” wordt bedoeld de inrichting inclusief de uitbreidingen en wijzigingen.

2.2.2. Aan de vergunning is een voorschrift verbonden waarin is bepaald dat de geluidvoorschriften uit de vigerende milieuvergunning van toepassing zijn op de veranderde inrichting.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat voormeld voorschrift, gelet op de formulering, betrekking heeft op de gehele inrichting en niet alleen op de activiteiten die in 2003 zijn aangevraagd en waarop de bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet. Hieruit volgt dat de onderliggende vergunning op dit punt is gewijzigd en dat geen sprake is van een uitbreiding van de geluidbelasting.

De Afdeling overweegt dat voormelde wijziging van de onderliggende oprichtingsvergunning binnen het kader van de aanvraag voortvloeit uit de verzochte veranderingen. De aanvraag impliceert derhalve dat tevens wordt verzocht om de onderliggende vergunning te wijzigen. Gelet op het voorgaande is dan ook geen sprake van het verlaten van de grondslag van de aanvraag. Het beroep is daarom ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Trippert-van Gemeren

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

289.