Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200305769/1 en 200305771/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0779
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0773
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) op de voet van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat artikel sinds 3 april 2000 luidt, aan [vergunninghoudster]. vrijstelling verleend voor het bouwen van 42 woningen in het westelijke gedeelte van het in het bestemmingsplan “Holzkuil” (1980) opgenomen plangebied en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 12 woningen in dat gebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305769/1 en 200305771/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 21 juli 2003 in de gedingen tussen:

[wederpartij sub 1] onderscheidenlijk [wederpartij sub 2], beiden wonend te Kerkrade

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) op de voet van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals dat artikel sinds 3 april 2000 luidt, aan [vergunninghoudster]. vrijstelling verleend voor het bouwen van 42 woningen in het westelijke gedeelte van het in het bestemmingsplan “Holzkuil” (1980) opgenomen plangebied en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 12 woningen in dat gebied.

Bij besluiten van 20 augustus 2002 heeft het college de daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 21 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) de daartegen door

[wederpartijen] ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft het college bij brieven van 22 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 oktober 2003 heeft [wederpartij sub 1] van antwoord gediend.

Bij brief van 29 oktober 2003 heeft [wederpartij sub 2] medegedeeld af te zien van het indienen van een schriftelijk verweer.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.G.L. Mertens en drs. S. Ilbrink, beiden ambtenaren der gemeente, [wederpartij sub 1] in persoon en [wederpartij sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, bevat het vrijstellingsbesluit, bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing, en de afwegingen die aan het verlenen van de vrijstelling ten grondslag liggen.

2.2. Het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend ziet op de oprichting van 12 niet vrijstaande woningen (type Veld 2 onder 1 kap).

2.3. Ten tijde van de bestreden beslissingen op bezwaar gold ter plaatse het bestemmingsplan “Holzkuil” (1980). Ingevolge de bij dat bestemmingsplan behorende plankaart rusten op de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd de bestemmingen “Bebouwingsklasse G” en “Tuin II”.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank in haar uitspraken ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het bouwplan een grote inbreuk maakt op het geldende bestemmingsplan. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat artikel 9, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften bepaalt dat er binnen de bestemming “Bebouwingsklasse G” slechts 15 woningen mogen worden gebouwd en heeft de rechtbank miskend dat de gronden waarop het vrijstellingsbesluit betrekking heeft alle liggen binnen de bestemming “Bebouwingsklasse G”, waarop artikel 9 van de planvoorschriften van toepassing is. Voorts heeft de rechtbank naar de mening van het college miskend dat de beroepen slechts zijn ingesteld tegen de in bezwaar gehandhaafde bouwvergunning ten behoeve van de bouw van 12 woningen (type Veld 2/1 kap). De rechtbank had, zo betoogt het college, het vrijstellingsbesluit dan ook slechts in zoverre het betrekking heeft op het onderhavige bouwplan in haar beoordeling mogen betrekken. Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bestemmingsplan “Villapark Holzkuil”, dat de ruimtelijke onderbouwing voor de vrijstelling vormt, voorzien is van een “Voorlopig Stedenbouwkundig Plan” waaruit voldoende duidelijk blijkt welke planologische ontwikkelingen ter plaatse gewenst zijn en waarin voldoende inzicht wordt gegeven in de ruimtelijke effecten op de omgeving van het bouwplan waarvoor vrijstelling is verleend.

2.5. Het betoog van het college slaagt. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met genoemd bestemmingsplan “Holzkuil” (1980). Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Holzkuil” (1980) zijn de op de plankaart voor bebouwingsklasse G aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden. Ingevolge het tweede lid mogen op de gronden waarop het bouwplan is voorzien, voor zover hier van belang, uitsluitend eengezinswoningen, alsmede andere bouwwerken, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemmingen passen, worden gebouwd, met dien verstande dat maximaal 15 huizen aaneen mogen worden gebouwd.

Het college betoogt met recht dat de rechtbank, niettegenstaande het feit dat het vrijstellingsbesluit betrekking heeft op een groter project waarvan het onderhavige bouwplan deel uitmaakt, in dit geval bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in welke mate het bouwplan inbreuk maakt op het bestemmingsplan, ten onrechte is uitgegaan van het totale project waarvoor vrijstelling is verleend en niet van de vrijstelling voor zover benodigd voor het onderhavige bouwplan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de bouwvergunningen voor de andere woningen van het project onherroepelijk zijn. Daarvan uitgaande stelt het college terecht dat de rechtbank heeft miskend dat de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft alle liggen op gronden met de bestemming “Bebouwingsklasse G”.

Met artikel 9, tweede lid, van de planvoorschriften heeft de planwetgever enkel een grens gesteld aan het aantal maximaal aaneen te bouwen huizen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat op de gronden met de bestemming “Bebouwingsklasse G” maximaal 15 huizen gebouwd mogen worden. Nu het ter beoordeling staande bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend voorziet in 12 woningen, waarvan er telkens twee aaneen worden gebouwd, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het bouwplan ten aanzien van dit aspect in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5.1. De gemeenteraad van Kerkrade heeft bij besluit van 26 september 2001 voor het gebied waarin de gronden zijn gelegen waarop het bouwplan is geprojecteerd het bestemmingsplan “Villapark Holzkuil” vastgesteld. Dit plan voorziet onder meer via een uit te werken bestemming in een nieuw woongebied met ongeveer 220 woningen.

Bij besluit van 7 mei 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, goedgekeurd. Tegen dit besluit heeft onder meer [wederpartij sub 2] beroep ingesteld en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 6 september 2002, no. 200203243/2, derhalve nadat de ter beoordeling staande bestreden beslissingen op bezwaar zijn genomen, heeft de Voorzitter van de Afdeling de ingediende verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen.

2.5.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Villapark Holzkuil” rust op de gronden waarop het onderhavige bouwplan is geprojecteerd de bestemming “Uit te werken Woondoeleinden – UW-“. Ingevolge artikel 3, eerste lid (bestemmingsomschrijving), aanhef en onder 1, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor “Uit te werken Woondoeleinden – UW-“ aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-gebonden beroep. Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder 4.5 van de voorschriften mag de maximumhoogte van gebouwen en andere bouwwerken, voor zover hier van belang, niet meer bedragen dan 11 meter. In de toelichting op dit bestemmingsplan wordt onder punt 9.2 vermeld dat is gekozen voor een uit te werken woonbestemming omdat dit samen met het stedenbouwkundige plan voldoende flexibiliteit geeft aan het uitwerken van het stedenbouwkundige plan op woning/kavelniveau. Het onderhavige plan biedt volgens de toelichting een helder planologisch kader voor de ontwikkeling van het plangebied. De uitwerking kan daardoor op gedetailleerde wijze aansluiten bij de bouwplannen. Bij het bestemmingsplan is als bijlage een kaart gevoegd, aangeduid met de naam “Voorlopig Stedenbouwkundig Plan”. Op dit plan zijn de in geding zijnde geplande woningen aangegeven, alsmede de overige voorziene en bestaande bebouwing en de infrastructuur.

2.5.3. De Afdeling volgt het college in zijn betoog dat het vrijstellingsbesluit, voor zover dat ten grondslag ligt aan het bouwplan, met de verwijzing naar de hiervoor vermelde stukken, en afgezet tegen de ingreep die wordt gemaakt op het ten tijde van de beslissingen op bezwaar geldende bestemmingsplan “Holzkuil” (1980), is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, in verbinding met artikel 19a, eerste lid, van de WRO. Niet valt in te zien, mede in aanmerking genomen de ter zitting gegeven toelichting, dat de gewenste planologische ontwikkelingen voor dit gedeelte van het grondgebied van de gemeente uit de genoemde documenten niet voldoende duidelijk kunnen worden afgeleid. De rechtbank heeft een en ander miskend.

2.6. Uit het bovenstaande volgt dat de hoger beroepen gegrond zijn en de aangevallen uitspraken niet in stand kunnen blijven. De Afdeling ziet aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de door de rechtbank onbesproken gelaten beroepsgronden te beoordelen.

2.7. [wederpartijen] hebben aangevoerd dat de vrijstelling niet zonder voorafgaande verklaring van gedeputeerde staten had kunnen worden verleend. Hiermee wordt, blijkens de beroepschriften, gedoeld op de in het bestemmingsplan “Villapark Holzkuil” opgenomen regeling volgens welke mag worden vooruitgelopen op de inwerkingtreding van het uitwerkingsplan, mits gedeputeerde staten vooraf schriftelijk hebben verklaard tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar te hebben. Verder hebben [wederpartijen] in beroep naar voren gebracht dat het bouwplan leidt tot een te grote aantasting van hun woongenot, waaronder hun privacy.

2.7.1. Niet in geschil is dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat het project past binnen de door gedeputeerde staten vastgestelde lijst van categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. De toepassing van de door [wederpartijen] bedoelde bepaling van het nieuwe bestemmingsplan is in dit geschil niet aan de orde. Appellant heeft de bouwvergunning immers verleend met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Zoals hiervoor is overwogen is het vrijstellingsbesluit, voor zover dat ten grondslag ligt aan het bouwplan, voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het college was dan ook bevoegd om zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Hetgeen [wederpartijen] hebben aangevoerd over de hoogte van de voorziene bebouwing en de mogelijke aantasting van hun privacy en vermindering van lichtinval, kan de Afdeling niet tot het oordeel leiden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling, voor zover dit ten grondslag ligt aan het onderhavige bouwplan, te verlenen.

2.8. Nu in hetgeen door [wederpartijen] bij de rechtbank is aangevoerd geen aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het recht, dienen hun beroepen alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 21 juli 2003, AWB 02/1370 WRO en AWB 02/1430 WRO;

III. verklaart de door [wederpartijen] bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

218-397.