Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200305730/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2000 heeft de raad van de gemeente Littenseradiel (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van appellant om planschadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/161 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Grondzaken 2004/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305730/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Littenseradiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2000 heeft de raad van de gemeente Littenseradiel (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van appellant om planschadevergoeding afgewezen.

Bij uitspraak van 28 juni 2002, reg.nr. 00/1111 WET, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de beslissing van de gemeenteraad op het door appellant tegen dat besluit ingediende bezwaar, strekkende tot ongegrond verklaring daarvan, vernietigd.

Bij besluit van 11 november 2002 heeft de gemeenteraad opnieuw beslissend op dat bezwaar, het gedeeltelijk gegrond en overigens ongegrond verklaard en appellant een planschadevergoeding toegekend van € 15.000,00, vermeerderd met wettelijk rente ten bedrage van € 1.159,64.

Bij uitspraak van 29 juli 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Hij heeft de gronden van zijn beroep nader aangevuld bij brief van 20 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2004, waar appellant in persoon en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat door appellant ten gevolge van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan “Winsum-St. Jacobsvaart” schade is geleden die in beginsel op de voet van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor vergoeding in aanmerking komt. Het geschil spitst zich toe op de hoogte van de hem toegekende schadevergoeding.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad zich bij het bepalen van de hoogte van de schade niet mocht baseren op de door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de sAOZ) daaromtrent gegeven adviezen van 6 juli 2000 en 19 augustus en 3 oktober 2002.

2.2.1. Dat betoog slaagt. In het eerste advies van de sAOZ staat dat de betrokken woning in de oude situatie “een waarde in de orde van grootte van ƒ 650.000,--“ vertegenwoordigde. Aan te nemen valt dat met die globale aanduiding destijds is volstaan tegen de achtergrond van in diezelfde advisering vastgelegde opvattingen omtrent de bebouwingsmogelijkheden van het oude bestemmingsplan en de betekenis van een met een projectontwikkelaar gesloten overeenkomst welke nadien onjuist zijn gebleken. Niettemin is genoemd bedrag in de vervolgadviezen als uitgangspunt genomen voor de vaststelling van de omvang van de schade. Geen van de adviezen biedt echter inzicht in de wijze waarop die waardebepaling tot stand is gekomen. Temeer daar appellant gegevens had overgelegd over de waarde van zijn woning gerelateerd aan een, naar hij gedocumenteerd heeft gesteld, vergelijkbare woning in een vergelijkbare omgeving, dienden de adviezen inzicht te bieden in de wijze waarop de marktsituatie ter plaatse is verdisconteerd in de waardebepaling. Bij gebreke daarvan kon de gemeenteraad zich er niet van vergewissen dat de adviezen zorgvuldig tot stand waren gekomen, zodat hij die ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit.

Voorts blijkt uit het advies van 3 oktober 2002 dat de sAOZ de planologische wijziging die tot de schade heeft geleid, als “licht” dan wel “enigszins nadeliger” heeft gekwalificeerd, terwijl de rechtbank in haar uitspraak van 28 juni 2002 heeft overwogen dat de sAOZ in het eerste advies van 6 juli 2000 ten onrechte de verslechtering als “beperkt” had aangemerkt. Waar blijkens de stukken de sAOZ de planologische wijzigingen onderverdeelt in “licht”, “zwaar” en “bovenmatig”, moet het ervoor worden gehouden dat zij is blijven vasthouden aan de door de rechtbank reeds onjuist geachte kwalificatie “beperkt”. Ook daarom mocht de gemeenteraad de nadere advisering niet zonder meer aan zijn besluit ten grondslag leggen. Door dat toch te doen is de beslissing op bezwaar van 11 november 2002 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet voorzien van een deugdelijke motivering. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat miskend.

2.3. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 11 november 2002 vernietigen. De gemeenteraad dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 juli 2003, 02/1100 WET;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Littenseradiel van 11 november 2002, no. 6 der agenda;

V. gelast dat gemeente Litenseradiel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 340,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

27.