Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2004
Datum publicatie
13-04-2004
Zaaknummer
200400911/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Maasland (thans Midden- Delfland) heeft bij besluit van 12 augustus 2003, het uitwerkingsplan "Commandeurspolder III" vastgesteld.

Bij besluit van 9 december 2003, kenmerk DRM/ARB/03/13198A, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit uitwerkingsplan.

Verzoekers hebben tegen dit besluit van verweerder beroep ingesteld bij brief van 28 januari 2004. Daarnaast hebben zij zich bij brief van 28 januari 2004 tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400911/2.

Datum uitspraak: 8 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Het college van burgemeester en wethouders van Maasland (thans Midden- Delfland) heeft bij besluit van 12 augustus 2003, het uitwerkingsplan "Commandeurspolder III" vastgesteld.

Bij besluit van 9 december 2003, kenmerk DRM/ARB/03/13198A, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit uitwerkingsplan.

Verzoekers hebben tegen dit besluit van verweerder beroep ingesteld bij brief van 28 januari 2004. Daarnaast hebben zij zich bij brief van 28 januari 2004 tot de Voorzitter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 maart 2004, waar verzoekers bij monde van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. N.A.M. op de Laak, ambtenaar van de provincie,

zijn verschenen. Voorts is namens het college van burgemeester en wethouders M. van Wijk, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het uitwerkingsplan omvat het deel UW II, het zogenoemde Commandeurspolder III-complex, van de door het college van burgemeester en wethouders “Uit te werken bestemming woongebied” van het geldende bestemmingsplan “Dorp-Oost” (hierna: het bestemmingsplan). Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van 196 woningen.

2.3. Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan, voorzover dit voorziet in de bouw van een woonhof met 50 appartementen. Zij achten het bouwvolume te massaal en niet passend bij de bestaande bebouwing. Zij verzoeken in zoverre schorsing van het bestreden besluit.

2.4. Het verzoek heeft betrekking op een plandeel met de bestemming “WGM Woongebied” en een bouwvlak van ongeveer 55 X 65 meter.

Ingevolge artikel 22, negende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan is voor dit plandeel bij recht een goothoogte van maximaal 11,5 meter toegestaan. Bij vrijstelling kan van de goothoogte met ten hoogste 10% worden afgeweken.

De Voorzitter stelt op basis van de stukken vast dat het bouwvolume voor het omstreden appartementencomplex weliswaar afwijkt van dat van de bestaande bebouwing, maar hij ziet, gelet op de afstand tot deze bebouwing, voorshands geen grond voor het oordeel dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien goedkeuring aan het uitwerkingsplan te onthouden.

Voorts is ter zitting gebleken dat een archeologische inventarisatie heeft plaatsgevonden.

Het bezwaar van verzoekers dat een aanlegvergunning voor de verwezenlijking van de infrastructuur ontbreekt, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Overigens is ter zitting van de zijde van het college van burgemeester en wethouders voldoende toegelicht waarom een aanlegvergunning in dit geval niet is vereist.

In hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Prins

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2004

363