Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7487

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200305426/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een tankstation met tankshop annex snackbar op het perceel [locatie], Aalten. Dit besluit is ter inzage gelegd op 10 juli 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2004/2403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305426/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Stichting "Stichting Natuur en Milieu Aalten", gevestigd te Aalten,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een tankstation met tankshop annex snackbar op het perceel [locatie], Aalten. Dit besluit is ter inzage gelegd op 10 juli 2003.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2004. Verweerder is daar vertegenwoordigd door J. Tuenter, ambtenaar van de gemeente. Namens [vergunninghoudster] is het woord gevoerd door E.J. Koelman. Appellant is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellante stelt zich op het standpunt dat vanwege het ontbreken van een akoestische rapportage niet kan worden beoordeeld of de verruiming van de geluidgrenswaarden, met name in de nachtperiode, aanvaardbaar is. Daarbij wijst zij er ook op dat de in de onderliggende vergunning opgenomen waarden voor incidentele verhogingen zijn vervallen. Verder heeft verweerder volgens haar miskend dat ook de aanwezige natuurwaarden moeten worden beschermd tegen geluid.

2.2.1. Verweerder heeft de geluidaspecten van de inrichting getoetst aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Overeenkomstig die handreiking heeft verweerder het referentieniveau van het omgevingsgeluid gebaseerd op het wegverkeerslawaai minus 10 dB(A). Ter zitting heeft hij de geluidsituatie toegelicht met een gemeentelijke conceptgeluidkaart. Er is niet gebleken dat de natuurlijke omgeving zo bijzonder is, dat de Handreiking niet onverkort had kunnen worden toegepast.

De Afdeling stelt vast dat de equivalente geluidgrenswaarden (Laeq) in voorschrift 8.1 lager zijn dan het wegverkeerslawaai minus 10 dB(A). Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 8.1 een toereikende bescherming biedt tegen geluid. Dat er in de onderliggende vergunning strengere normen waren gesteld doet daaraan, gelet op het huidige wegverkeerslawaai, niet af.

De piekwaarden (Lmax) in voorschrift 8.2 verdragen zich met de Handreiking en zijn bovendien lager dan de normering in de onderliggende vergunning.

Gezien de Handreiking is het stellen van “incidentele verhogingen” niet nodig naast het stellen van normen voor het equivalente geluidniveau en het piekgeluid.

Op grond van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder de geluidnormering aldus in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Gezien de aard van de inrichting, de afstand tot de maatgevende woningen van derden en gelet op de stukken en de zitting, ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan het oordeel van verweerder, inhoudende dat bij normale bedrijfsvoering kan worden voldaan aan die normen.

2.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat door het realiseren van een luifel op het tankstation de openheid van het landschap wordt aangetast en dat door de inrichting bovendien het realiseren van de bestemming wordt gefrustreerd.

2.3.1. De aantasting van de openheid dient primair te worden beoordeeld in het kader van planologische regelingen. Voorzover daarnaast in het kader van de vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte aanwezig is voor een aanvullende milieuhygiënische toets, is de Afdeling op grond van de ter zitting getoonde en toegelichte luchtfoto van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige aantasting van de landschappelijke openheid dat voor de luifel vergunning zou moeten worden geweigerd, dan wel dat aan de luifel nadere voorschriften en beperkingen zouden moeten worden gesteld.

2.4. Appellante acht de toename van lichthinder een aanslag op de ter plaatse aanwezige natuurwaarden.

2.4.1. De verlichting in de inrichting dient te voldoen aan voorschrift 1.7, op grond waarvan aangebrachte of gebezigde verlichting en de te verrichten werkzaamheden zodanig moeten zijn afgeschermd, dat buiten de inrichting geen hinderlijke lichtstraling of lichtflitsen worden veroorzaakt. Indien wordt voldaan aan dat middelvoorschrift, moet worden aangenomen dat hinderlijke verlichting wordt voorkomen. Appellante heeft de doeltreffendheid van dat voorschrift niet betwist. Ter zitting is uiteengezet dat niet meer verlichting aanwezig zal zijn dan nodig is voor het uitvoeren van de activiteiten van de inrichting. Daarbij is er op gewezen dat de inrichting aan een drukke weg is gelegen en dat de omgeving van de inrichting reeds wordt belicht vanwege de aanwezige straatverlichting. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verlichting in en rond de inrichting niet aan het verlenen van de vergunning in de weg staat.

2.5. Volgens appellante is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de flora en fauna in de houtsingel die zich direct achter de inrichting bevindt. In het bijzonder stelt zij dat in die singel beschermde sprinkhanen en amfibieën voorkomen.

2.5.1. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat deze houtopstand - met een omvang van ongeveer één hectare - onder geen enkele wettelijke regeling bescherming geniet vanwege de aanwezige flora en/of fauna en dat mede daarom nader onderzoek naar aanwezige soorten niet heeft plaatsgevonden.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat soortenbescherming primair aan de orde dient te komen in het kader van de beoordeling of ontheffing krachtens de Flora- en Faunawet is vereist en kan worden verleend. Wat de (aanvullende) beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer betreft, is niet gesteld en ook niet aannemelijk geworden dat zich zodanige nadelige gevolgen voor de door appellante genoemde diersoorten zouden kunnen voordoen, dat nadere voorschriften hadden moeten worden verbonden aan de milieuvergunning of die vergunning had moeten worden geweigerd.

2.6. Concluderend is de Afdeling van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

157.