Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200305154/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) de aanvraag om nadeelcompensatie op grond van de Verordening Schadecompensatieregeling Aanleg HOV-baan (hierna: de Verordening) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305154/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) de aanvraag om nadeelcompensatie op grond van de Verordening Schadecompensatieregeling Aanleg HOV-baan (hierna: de Verordening) afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2003, verzonden op 20 juni 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Afschriften hiervan zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.P.M. de Laat, advocaat te Utrecht, en J. Litjens en het college, vertegenwoordigd door mr. P.C. van Doorn, werkzaam bij de gemeente Utrecht, en mr. H. Kuiper, werkzaam bij Nederlands Expertise Bureau Nedeb B.V. (Nedeb B.V.), zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat het college aan natuurlijke of rechtspersonen, die ten gevolge van de aanleg van de HOV-baan schade hebben geleden, financiële compensatie verstrekken conform de ter zake in deze Verordening gestelde regels.

In artikel 1, aanhef en onder d is bepaald, voorzover hier van belang, dat onder schade wordt verstaan derving van winst of inkomen in een kalenderjaar ten opzichte van de referentiejaren, voorzover veroorzaakt door de aanleg van de HOV-baan.

In artikel 1, aanhef en onder b, is bepaald, voorzover hier van belang, dat onder winst wordt verstaan de winst die dient als grondslag voor de berekening van de winst uit onderneming, als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting.

In artikel 5, zevende lid, is bepaald, voorzover van belang, dat het college een onafhankelijke instantie kan aanwijzen als schadebeoordelingscommissie.

In artikel 5, vierde lid, is bepaald dat de commissie tot taak heeft het college schriftelijk en gemotiveerd te adviseren over de aanvragen tot verstrekking van financiële compensatie.

In artikel 7, aanhef en onder h, is bepaald, voorzover hier van belang, dat de aanvraag wordt afgewezen indien en voorzover de schade niet kan worden aangemerkt als onevenredige schade, welke buiten het maatschappelijk risico van de aanvrager valt.

In artikel 8, derde lid, is bepaald, voorzover hier van belang, dat de financiële compensatie 100% bedraagt van het schadebedrag, nadat daarop in mindering zijn gebracht de financiële nadelen die ingevolge het bepaalde in artikel 7 niet voor vergoeding in aanmerking komen.

In artikel 11 is bepaald dat het college in zeer bijzondere gevallen, waarin de strikte toepassing van deze regeling tot onmiskenbaar onredelijke gevolgen leidt, bevoegd is van het gestelde in deze Verordening af te wijken.

2.2. Appellant is eigenaar van [naam bedrijf], een onderneming gespecialiseerd in de verkoop van hoogwaardige audioapparatuur en gevestigd aan de [locatie] te [plaats]. In de periode van 23 maart tot 25 april 1998 is [naam bedrijf] vanwege werkzaamheden in verband met de aanleg van de HOV-baan moeilijk bereikbaar geweest.

2.3. Niet in geschil is dat indien de schade wordt berekend volgens het in de Verordening gehanteerde fiscale winstbegrip, appellant niet in aanmerking komt voor vergoeding van de door hem gestelde schade. Uit de door appellant overgelegde winstcijfers blijkt dat hij in het jaar 1998 meer winst heeft geboekt dan gemiddeld in de drie daaraan voorafgaande jaren.

2.3.1. Het college heeft - met toepassing van de hardheidsclausule - de gemiddelde omzet van [naam bedrijf] als uitgangspunt genomen ten behoeve van de berekening van de schade.

Bij de bepaling van de derving van omzet in het jaar 1998 hanteert het college als vergelijkingskader de gemiddelde omzet over de jaren 1995 en 1997. Het jaar 1996 is buiten beschouwing gebleven in verband met de reorganisatie van [naam bedrijf]. Voorts is de verwachte gemiddelde omzet over 1998 verhoogd met 10%, uitgaande van een brancheontwikkeling van de bruingoedsector in 1998. Nu het aldus berekende omzetverlies van gemiddeld 10% op jaarbasis niet kan worden aangemerkt als onevenredige schade, omdat deze minder bedraagt dan 15% van de omzet op jaarbasis, is appellants verzoek om vergoeding van schade afgewezen. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van Nedeb B.V. van 20 april 2001, de schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 5 van de Verordening.

2.4. De rechtbank heeft het besluit van 30 januari 2002, waarbij het besluit van 18 juli 2001 is gehandhaafd, vernietigd. Daartoe heeft zij overwogen dat indien het college bij de toepassing van de hardheidsbepaling neergelegd in artikel 11 van de Verordening uitgaat van omzetcijfers, niet kan worden volstaan met het vergelijken van de omzetcijfers van het schadejaar met die van andere jaren. Er dient nog een berekening te volgen om aan de hand van die omzetcijfers te komen tot een berekening van de winstderving conform het fiscale winstbegrip, zoals in de Verordening gedefinieerd. Het ten gevolge van de HOV-baan geleden nadeel dat de Verordening beoogt te compenseren is, aldus de rechtbank, immers de winstdaling ten opzichte van eerdere jaren. Nu uitgaande van die berekening het zeer onaannemelijk is dat de winstdaling in 1998 15% of hoger is geweest, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in standgelaten.

2.5. Appellant heeft in hoger beroep grieven naar voren gebracht over het gehanteerde criterium 15% omzetverlies en de juistheid betwist van het door de rechtbank toegepast en berekend winstdervingpercentage. Tevens heeft hij opnieuw naar voren gebracht dat de weigering schade te vergoeden in strijd is met het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen dienen te worden gehonoreerd.

2.5.1. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht de door het college bij de toepassing van artikel 7, aanhef en onder h, van de Verordening gehanteerde ondergrens in de vorm van een normaal maatschappelijk risico van 15% van de omzet op jaarbasis aanvaardbaar geacht. Gelet op de bewoordingen van voornoemd artikel, is er geen grond voor het oordeel dat dit artikel voor de toegepaste verrekening geen grondslag biedt en ligt deze verrekening ook in de rede nu het college met toepassing van artikel 11 van de Verordening de gemiddelde omzet van [naam bedrijf] als uitgangspunt heeft genomen ten behoeve van de berekening van de schade.

De Afdeling is voorts, anders dan de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval, waarin niet in geschil is dat vergelijking van de geprognosticeerde omzet en de gerealiseerde omzet aan de hand van de referentiejaren 1995 en 1997 in het schadejaar een omzetverlies van minder dan 15% te zien geeft, voor een gehoudenheid van het college om aan de hand van het vastgestelde omzetverlies te berekenen of sprake is van een winstderving en wel van tenminste 15%, onvoldoende grond bestaat. In aanmerking genomen dat de in artikel 11 van de Verordening aan het college toegekende bevoegdheid ertoe strekt om in de aldaar bedoelde gevallen af te wijken van het gestelde in de Verordening, komt, anders dan de rechtbank meent, geen beslissende betekenis toe aan het gegeven dat voor de toepassing van de Verordening overigens onder het begrip schade verlies van winst of inkomen moet worden verstaan.

2.6. Gelet op het voorgaande komt de uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking. Aan bespreking van de grieven van appellant over het door de rechtbank toegepaste en berekende winstpercentage komt de Afdeling niet toe.

2.7. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt. Nu niet kan worden gesproken van een in het kader van artikel 11 van de Verordening relevant omzetverlies heeft het college redelijkerwijze kunnen oordelen dat voor toekenning van schadevergoeding geen plaats was.

2.8. Appellants betoog dat hij in strijd met het door de gemeente, Nedeb B.V. en het projectbureau HOV-baan opgewekte vertrouwen geen schadevergoeding heeft ontvangen, treft geen doel. Dit vertrouwen kan niet worden ontleend aan niet gespecificeerde toezeggingen over een ruimhartige toepassing van de Verordening van de zijde van de gemeente en het projectbureau HOV-baan. Hetzelfde geldt voor de mededeling van Nedeb B.V. aan het college, dat de gemiddelde te vergoeden schade ƒ 35.000,00 (€ 15.882,31) zal bedragen.

2.9. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten, waaronder de kosten van deskundige bijstand.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 juni 2003, SBR 02/571;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

III. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

299.