Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200305153/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2001 heeft de raad van de gemeente Geldermalsen (hierna: de raad) de verzoeken van appellanten om vergoeding van schade, als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/1028
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305153/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend respectievelijk te [woonplaatsen],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 juni 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Geldermalsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2001 heeft de raad van de gemeente Geldermalsen (hierna: de raad) de verzoeken van appellanten om vergoeding van schade, als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft de raad de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2003, verzonden op 2 juli 2003, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 4 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 september 2003 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2004, waar de raad, vertegenwoordigd door D.H.C. van Oosten, ambtenaar bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Vast staat dat de door appellanten gestelde schade valt terug te voeren op de bepalingen van het in 1996 van kracht geworden bestemmingsplan “Beesd-Midden”. Ingevolge dit plan hebben de gronden gelegen op een afstand van ongeveer 11 meter tegenover de woningen van appellanten een woonbestemming gekregen, waar voordien een agrarische bestemming gold.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de schade die zij ten gevolge van het van kracht worden van genoemd bestemmingsplan hebben geleden, voor hun rekening en risico komt, nu de planologische wijziging ten tijde van de aankoop van hun woningen voorzienbaar was. Dit betoog faalt.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2003 in zaak no. 200202248/1 (www.raadvanstate.nl), is de schade voorzienbaar – zodat deze geacht moet worden te zijn aanvaard en verdisconteerd in de koopprijs – indien ten tijde van de koop voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in ongunstige zin zou veranderen.

2.5. De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat voor appellanten al vóór de koop van hun percelen in maart 1993 respectievelijk april 1993 voorzienbaar was dat de kans bestond dat de planologische situatie in die zin zou kunnen veranderen dat tegenover hun percelen woningbouw mogelijk zou worden. Anders dan appellanten menen, heeft de rechtbank daarvoor terecht grond gezien in het besluit van de raad van 4 februari 1993, waarbij die locatie is aangewezen voor toekomstige woningbouw, en welk besluit volgt op in maart 1990 en oktober 1991 vastgestelde gemeentelijke nota’s betreffende het gemeentelijke woningbouwbeleid, waarin de onderhavige locatie als één van de in de toekomst mogelijke woningbouwlocaties is beschreven, en op het op 28 mei 1991 door de raad genomen voorbereidingsbesluit, waarin onder meer de onderhavige woningbouwlocatie was opgenomen. Niet valt in te zien dat met dat raadsbesluit niet een voldoende concreet voornemen tot wijziging van de planologische situatie zou bestaan. Dat het in 1991 genomen voorbereidingsbesluit inmiddels was vervallen, doet daaraan niet af.

2.6. Terecht heeft de rechtbank er daarbij op gewezen dat appellanten, nu zij voorafgaande aan de koop van de percelen niet bij de gemeente hebben geïnformeerd naar de planologische situatie ervan en de directe omgeving, noch naar de te verwachten ontwikkelingen aldaar, tekort zijn geschoten in hun onderzoeksplicht. Dat die ontwikkelingen appellanten niet kunnen worden tegengeworpen, omdat het raadsbesluit van 4 februari 1993 niet is gepubliceerd, ziet de Afdeling dan ook niet in. Overigens is gebleken dat de agenda voor deze raadsvergadering, waarbij is vermeld dat definitieve besluitvorming zal plaatsvinden ten aanzien van de keuze van een woningbouwlocatie in de kern Beesd, wel in het plaatselijke huis-aan-huisblad bekend is gemaakt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

47.