Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200305138/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: het college) bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van 10 lantaarnpalen op het perceel [locatie].

Bij besluit van 27 maart 2001 heeft het college de aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van 12 lantaarnpalen op het perceel [locatie] niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305138/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Doorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Doorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doorn (hierna: het college) bouwvergunning geweigerd voor het oprichten van 10 lantaarnpalen op het perceel [locatie].

Bij besluit van 27 maart 2001 heeft het college de aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van 12 lantaarnpalen op het perceel [locatie] niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 7 augustus 2001 heeft het college het tegen het besluit van 14 november 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 oktober 2001 heeft het college het tegen het besluit van 27 maart 2001 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 24 juni 2003, verzonden op 30 juni 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren door het college niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen tegen de besluiten op bezwaar ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Appellant heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 12 januari 2004.

Bij brief van 24 november 2003 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 12 januari 2004 heeft appellant hierop gereageerd.

Bij brief van 20 februari 2004 zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2004, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door

mr. drs. I. van Loon, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In geding zijn de afwijzingen van twee aanvragen om bouwvergunning voor het oprichten van 10 respectievelijk 12 lantaarnpalen op het perceel [locatie] te Doorn.

2.2. Appellant stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de lantaarnpalen niet passen binnen het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied, derde herziening” en de bestemming “Multifunctioneel Bos”, zoals voorzien in het toekomstige bestemmingsplan “Landelijk gebied 2000” en dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Volgens hem had de rechtbank geen belang mogen hechten aan hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 27 november 2002, no. 200103478/1, heeft overwogen. Dit betoog faalt. De rechtbank is er terecht van uit gegaan dat de lantaarnpalen niet kunnen worden aangemerkt als bouwwerken ten behoeve van de instandhouding van het bosgebied als bedoeld in artikel 29A van de planvoorschriften van het ten tijde van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied, derde herziening”. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het college geen aanleiding hoefde te vinden op het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Landelijk gebied 2000” vooruit te lopen, nu de lantaarnpalen niet passen binnen dat toekomstige bestemmingsplan. De lantaarnpalen waarvoor vergunning is gevraagd zijn, gezien de hoogte en de situering daarvan, in strijd met het derde lid van artikel 9 van dat toekomstige plan. Niet valt verder in te zien dat de rechtbank niet mede mocht afgaan op hetgeen de Afdeling in haar hiervoor genoemde uitspraak heeft overwogen omtrent de lichtmasten. Appellant heeft in dit geschil niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde gevallen op rechtens relevante wijze overeenkomen met zijn eigen situatie. De rechtbank heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel op goede gronden weerlegd.

2.3. De stelling van appellant dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college heeft verklaard dat lantaarnpalen van 2,5 meter hoogte wel zouden zijn toegestaan treft geen doel, aangezien in dit geschil uitsluitend de aangevraagde bouwwerken ter beoordeling staan.

2.4. Ook het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de aangevraagde lantaarnpalen op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken als meldingplichtig moesten worden beschouwd faalt reeds om de reden dat niet is gebleken dat appellant een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet (oud).

2.5. Appellant betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank de gemeente Doorn ten aanzien van de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften had moeten gelasten het voor dat beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Appellant heeft niet aangetoond en ook anderszins is niet gebleken dat hij zowel voor de beroepen tegen het niet tijdig beslissen als voor de beroepen tegen de besluiten van 7 augustus 2001 en 23 oktober 2001, voor zover betrekking hebbend op de lantaarnpalen, afzonderlijk griffierecht heeft moeten betalen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

218.