Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200304962/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2002 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Groot-Geestmerambacht (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellant ontheffing krachtens artikel 19, eerste lid, van de Keur van het waterschap Groot-Geestmerambacht (hierna: de Keur) verleend voor het dempen en verbreden van sloten op zijn percelen ten zuiden van de Hogebierenweg te Barsingerhorn in de Slikvenpolder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 184 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304962/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 juni 2003 in de gedingen tussen:

1. appellant,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellante sub 4] gevestigd te [plaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente [plaats].

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Groot-Geestmerambacht (thans: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier).

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2002 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Groot-Geestmerambacht (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellant ontheffing krachtens artikel 19, eerste lid, van de Keur van het waterschap Groot-Geestmerambacht (hierna: de Keur) verleend voor het dempen en verbreden van sloten op zijn percelen ten zuiden van de Hogebierenweg te Barsingerhorn in de Slikvenpolder.

Bij besluit van 20 december 2002 heeft het dagelijks bestuur, op basis van het advies van de taakgroep BJBB, afdeling B en B, van 19 december 2002, het door appellant gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de ontheffing aangepast.

Bij uitspraak van 18 juni 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 september 2003 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: het college) van antwoord gediend.

Bij brieven van 17 januari 2004 en 2 februari 2004 heeft appellant nadere stukken ingediend. Afschriften hiervan zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. H.A.C. Venselaar en ing. D. Marsman, gemachtigden, zijn verschenen. Tevens is [appellant sub 3] in persoon verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van het college van hoofdingelanden van het waterschap Groot-Geestmerambacht (hierna: de hoofdingelanden) van 7 juni 2002 is de Keur vastgesteld. Zij is op 8 augustus 2002 in werking getreden.

Ingevolge artikel 17, aanhef en tweede lid, van de Keur

is het verboden:

a. de richting, vorm, afmeting of constructie van wateren te veranderen;

b. wateren en nieuwe wateren direct of indirect met elkaar in verbinding te brengen of wateren geheel of gedeeltelijk te dempen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van de Keur kan het dagelijks bestuur van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen ontheffing verlenen.

2.2. In verband met de uitvoering van het op grond van artikel 86 van de Landinrichtingswet voor de ruilverkaveling vastgestelde landinrichtingsplan "Ruilverkaveling Schagerkogge" (hierna: het landinrichtingsplan) van de Landinrichtingsdienst, Ministerie van Landbouw en Visserij, zoals dat bij besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 15 november 1988 is bijgesteld, diende de waterhuishouding van de Schagerkogge, waarbinnen de Slikvenpolder is gelegen, te worden aangepast.

Bij besluit van de hoofdingelanden van 15 december 2000 is de nota "Beleidsuitwerking open waterberging voor de Schagerkogge (Landelijk Gebied)" (hierna: de nota waterberging) vastgesteld. De nota waterberging is gebaseerd op het in 1999 in opdracht van de hoofdingelanden door de zogeheten commissie IJff opgestelde rapport "Percentage open water in het ruilverkavelingsgebied Schagerkogge". In de nota waterberging is aangegeven dat gestreefd wordt naar een optimale waterhuishouding, waarin alle peilgebieden op hetzelfde moment falen, hetgeen betekent dat geen afwenteling plaatsvindt van overtollig water van hoger naar lager gelegen peilgebieden. Afwenteling binnen de Schagerkogge, ofschoon ongewenst, is evenwel in geval van extreme omstandigheden gehandhaafd, omdat de waterhuishouding in de Schagerkogge op korte termijn niet kan worden gewijzigd. Deze afwentelingssituatie blijft in ieder geval gehandhaafd totdat er duidelijkheid is omtrent de ontwikkeling van het in de Slikvenpolder geplande industriegebied "De Witte Paal"; een nieuw bestemmingsplan terzake is thans nog niet vastgesteld. In de nota waterberging is voorts, met het oog op het behoud van het waterbergend vermogen van de verschillende peilgebieden, vastgelegd dat open water alleen mag worden gedempt onder de voorwaarde dat de demping wordt gecompenseerd door het graven van een gelijke oppervlakte open water, tenzij er in een peilgebied meer open water aanwezig is dan vanuit waterhuishoudkundig oogpunt noodzakelijk is; dan mag gedempt worden tot het surplus is opgesoupeerd.

Aangezien in de nota waterberging geen percentages open water zijn vastgelegd, is ter bepaling daarvan het bureau Tauw B.V., gevestigd te Deventer, verzocht de kansen op falen van de peilgebieden te berekenen. Dit bureau heeft op basis van het bestek van het landinrichtingsplan deze faalkansberekeningen gemaakt, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het op 7 juni 2002 uitgebrachte rapport "Faalkansberekeningen polder Slikven". Naar aanleiding van dit rapport is op 17 juni 2002 de notitie "Resultaten faalkansberekeningen voor de Slikvenpolder" opgesteld, op basis waarvan bij besluit van de hoofdingelanden van 25 juni 2002 per peilgebied in de Schagerkogge de percentages aanwezig en benodigd open water zijn vastgesteld.

Het dagelijks bestuur heeft het verzoek van appellant om ontheffing krachtens artikel 19, eerste lid, van de Keur aan het hiervoor geschetste beleid getoetst.

2.3. Het geschil is beperkt tot de aan appellant in de ontheffing opgelegde verplichting sloten op zijn percelen in de peilvakken 3060-01 en 3060-03 in de Slikvenpolder te verbreden, bij wijze van compensatie voor het dempen van andere sloten, alsmede tot de verdeling van het surplus aan open water dat door appellant mocht worden gedempt, zijnde 0,4% van het na ruilverkaveling aanwezige open water in peilvak 3060-01.

2.4. Appellant is van mening dat hij meer open water zou moeten kunnen dempen dan hem in de ontheffing is toegestaan. Volgens hem is het afwentelings- en compensatiebeleid onredelijk en met betrekking tot zijn percelen in de Slikvenpolder door het dagelijks bestuur onjuist toegepast. Hij betoogt te dezen dat de faalkansberekeningen onjuist zijn en dat de vastgestelde percentages aanwezig en benodigd open water mitsdien op onjuiste gegevens berusten. Voorts betoogt hij dat hij ten opzichte van andere belanghebbenden een onevenredig hoog percentage benodigd open water op zijn percelen dient te realiseren, hetgeen hij onredelijk acht. Verder betoogt appellant dat de herverdeling van de gronden in de Slikvenpolder op onjuiste wijze is geschied.

2.5. Vooropgesteld zij dat de Afdeling met de rechtbank het door de hoofdingelanden in de nota waterberging vastgestelde afwentelings- en compensatiebeleid niet onredelijk acht. Voor een verdergaande toetsing in rechte daarvan is geen plaats. Voorts is niet gebleken en evenmin aannemelijk gemaakt dat de hoofdingelanden onder de hiervoor geschetste omstandigheden in redelijkheid niet hebben kunnen besluiten tot tijdelijke afwenteling in de Schagerkogge op een wijze als hiervoor geschetst.

Het betoog inzake de onjuistheid van de faalkansberekeningen en van de percentages open water heeft appellant niet onderbouwd met ter zake doende en volledige berekeningen of een deskundigenrapport. Uit de stukken blijkt dat de beweerdelijk niet in de berekening betrokken peilverlaging in peilvak 3060-03 wel in de faalkansberekeningen is meegenomen.

Het dagelijks bestuur heeft in zijn beslissing op bezwaar het surplus aan open water in de Slikvenpolder naar evenredigheid verdeeld. Voor peilvak 3060-01 was het percentage aanwezig open water vastgesteld op 3,3% en het percentage benodigd open water op 2,9%. Verdeling van het surplus naar evenredigheid houdt in dat appellant op zijn percelen in dit peilvak 0,4% van het aanwezige open water mocht dempen zonder daarvoor te moeten compenseren door het graven of verbreden van sloten. Voor het peilvak 3060-03 is geen surplus vastgesteld, zodat dempen in dit peilvak volledig gecompenseerd diende te worden door, in het onderhavige geval, slootverbreding. Van een onevenredige verdeling van benodigd open water ten nadele van appellant is derhalve geen sprake.

Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd is niet gebleken dat het dagelijks bestuur het afwentelings- en compensatiebeleid alsmede het beleid inzake de surplusverdeling in het geval van appellant onjuist heeft toegepast. Ook is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat een afwijking van het door het dagelijks bestuur gehanteerde beleid aangewezen was. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat het dagelijks bestuur op goede gronden aan appellant ontheffing krachtens artikel 19, eerste lid, van de Keur heeft kunnen verlenen, zoals aangepast bij besluit van 20 december 2002.

2.5.1. Voorzover appellant betoogt dat de herverdeling van gronden in de Slikvenpolder op onjuiste wijze is geschied, wordt overwogen dat dit betoog niet kan slagen, reeds omdat de ruilverkaveling, die is geregeld in het landinrichtingsplan, thans niet in geding is.

De door appellant nog aangedragen suggesties teneinde de waterhuishouding eerder te kunnen wijzigen, waaronder een andere afwatering dan wel overheveling van gronden van peilvak 3060-06 naar een ander peilvak, zodat geen afwenteling vanuit dat peilvak in peilvak 3060-03 behoeft plaats te vinden, geven geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat de suggesties blijkens de stukken onjuist of onuitvoerbaar zijn dan wel in strijd met het thans gevoerde beleid. De door appellant vermelde aankoop door het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier van de gronden in de Slikvenpolder ter plaatse van het geplande industriegebied "De Witte Paal" brengt geen verandering in de vooralsnog onzekere toekomst van dat gebied, zodat ook hierin geen reden is gelegen voor een ander oordeel.

2.6. Het hoger beroep is, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

164-424.