Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200304868/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder het verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 53
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/4302
JM 2004/77 met annotatie van Wiggers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304868/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder het verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 24 juni 2003, kenmerk 526323, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 21 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 augustus 2003.

Bij brief, gedateerd 20 oktober 2000 en bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2003, heeft verweerder meegedeeld geen nader verweer uit te brengen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2004, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.J.Th. Bustin, advocaat te Leeuwarden, en verweerder, vertegenwoordigd door P. Postma, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] stelt in beroep dat verweerder zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Appellant stelt schade te lijden ten gevolge van de goedkeuring door verweerder van de vaststelling van een geluidszone rond het industrieterrein Bergum ZO/Suameer, omdat hij daardoor geen bescherming meer geniet tegen geluid dat wordt geproduceerd door op het bedrijfsterrein gelegen bedrijven. Hierdoor ondervindt hij ernstige geluidhinder en is zijn woning onverkoopbaar, aldus appellant.

2.2. Verweerder heeft het bezwaarschrift ongegrond verklaard, omdat volgens hem het causale verband tussen het goedkeuringsbesluit en de gestelde schade ontbreekt.

2.3. Op 26 juni 1986 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel een geluidszone als bedoeld in artikel 56, gelezen in samenhang met artikel 53 van de Wet geluidhinder, zoals deze toen gold, vastgesteld. Deze geluidszone is bij besluit van 6 november 1986 door verweerder goedgekeurd.

2.3.1. De Wet geluidhinder voorziet in waarden die voor de geluidsbelasting buiten de zone, en voor de geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidgevoelige objecten binnen de zone als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Zoals de Afdeling reeds heeft geoordeeld in onder meer haar uitspraak van 28 maart 1996, nr. E03.94.0081, bevat deze zone niet mede het bedrijfsterrein zelf en voorziet de Wet geluidhinder niet in geluidgrenswaarden die gelden voor woningen of andere geluidgevoelige objecten op het bedrijfsterrein, zoals de woning van [appellant]. Nu ook vóór de zonering geen wettelijke geluidgrenswaarden golden voor de gevel van de woning van appellant, wijzigt de goedkeuring van de geluidszone het geluidsregime op zijn woning niet. Ook overigens volgt niet uit de wet dan wel anderszins dat door de goedkeuring van de geluidszone het geluidsregime voor de woning van appellant wijzigt. Derhalve kan de goedkeuring van de geluidszone niet worden aangemerkt als oorzaak van de door appellant gestelde schade. Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding wegens het ontbreken van causaal verband tussen zijn goedkeuringsbesluit en de gestelde schade terecht afgewezen.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op14 april 2004

178-410.