Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200304329/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2002 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders 4 juni 2002, aangevuld bij voorstel van 5 september 2002, het bestemmingsplan “Portland I, herziening Bakkersparkweg e.o.” vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304329/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2002 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders 4 juni 2002, aangevuld bij voorstel van 5 september 2002, het bestemmingsplan “Portland I, herziening Bakkersparkweg e.o.” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 april 2003, kenmerk DRM/ARB/02/10521A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2004, waar appellanten, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. L. Berkemeijer, ambtenaar van de provincie zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Albrandswaard, vertegenwoordigd door C. de Klerk-Verbeek en D. Dekker, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan betreft gronden ten westen van de Bakkersdijk en voorziet onder meer in de mogelijkheid tot bouw van woningen. Met het plan wordt beoogd te voldoen aan de in artikel 30 van de WRO neergelegde plicht een nieuw bestemmingsplan vast te stellen, die voortvloeit uit het besluit van verweerder van 8 februari 2000, voorzover daarbij goedkeuring is onthouden aan onderdelen van het bestemmingsplan “Portland I”.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden”. Zij voeren hiertoe aan dat het plan niet in overeenstemming is met essentiële onderdelen van de interne planstructuur van het Regionaal Structuurplan Midden-IJsselmonde (hierna: RSP). Volgens appellanten leidt het plan ertoe dat woningbouw ten koste gaat van de oppervlakte van het wijkpark zoals die in het RSP is voorgeschreven.

2.4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het RSP aangegeven omvang van het wijkpark als indicatief moet worden beschouwd. Volgens hem is het park wat betreft structuur en omvang in hoofdopzet gelijk aan hetgeen in het RSP is weergeven. De als gevolg van het plan verminderde oppervlakte van het wijkpark kan worden gecompenseerd door het park aan de noordzijde in een puntvorm aan te leggen, aldus verweerder.

2.4.2. Volgens paragraaf 9.2.7 van het RSP is als essentieel onderdeel van de interne planstructuur voorzien in de aanleg van twee groenvoorzieningen, waaronder het door appellanten bedoelde wijkpark ten westen van de bestaande kern Smitshoek. Volgens dit onderdeel van het RSP mag de op de plankaart aangegeven omvang van de parken niet worden verkleind.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de voorziene oppervlakte van het wijkpark, zoals aangeduid op de plankaart van het RSP, 6,2 ha bedraagt. Daarmee is komen vast te staan dat deze oppervlakte van het wijkpark niet slechts volgt uit de kaart Ruimtelijke Reservering Structuurplan Midden-IJsselmonde, die geen onderdeel uitmaakt van het RSP. Anders dan het in het bestreden besluit neergelegde uitgangspunt, kan deze oppervlaktemaat dan ook niet als louter indicatief worden beschouwd. Verder is ter zitting gebleken dat tussen partijen niet in geding is dat de in het plan voorziene ligging van de hoofdwatergang en van woonbebouwing, die afwijkt van hetgeen in het bestemmingsplan “Portland I” was voorzien, tot gevolg heeft dat de omvang van het wijkpark wordt verkleind ten opzichte van de oppervlakte die daarvoor op de plankaart van het RSP is aangeduid. Tevens is ongewis of na verwezenlijking van het plan voldoende ruimte resteert om met een veranderde vormgeving van het wijkpark alsnog in een oppervlakte van 6,2 ha aan park te voorzien. Uit het voorgaande volgt dat het bestemmingsplan op dit onderdeel in strijd is met het RSP.

Ingevolge artikel 36l, eerste lid, van de WRO dienen gedeputeerde staten, indien voor het gebied begrepen in een regionaal structuurplan een bestemmingsplan is vastgesteld en dit aan de goedkeuring van gedeputeerde staten wordt onderworpen, bij hun besluit omtrent de goedkeuring van dat bestemmingsplan rekening te houden met het regionaal structuurplan. Ingevolge het tweede lid van dit artikel vragen gedeputeerde staten voorzover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, in strijd is met het regionaal structuurplan, het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam om advies.

Het door verweerder aangehaalde besluit van de Regioraad van 20 juni 2001, dat onder meer een lijst met afwijkingen en interpretaties van het RSP behelst, kan ten aanzien van de hiervoor geconstateerde strijd met het RSP niet worden aangemerkt als een advies als bedoeld in artikel 36l, tweede lid, van de WRO.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit op dit onderdeel genomen in strijd met artikel 36l, tweede lid, van de WRO. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de vorenbedoelde wetsbepaling, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden”, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

2.5. Het betoog van appellanten dat onduidelijk is of het plan voorziet in centrumvoorzieningen in het wijkpark treft geen doel. Ten behoeve van het wijkpark is voorzien in de bestemming “Recreatieve doeleinden,

park -Rd(p)-“. Anders dan de in het bestemmingsplan “Portland I” opgenomen bestemming “Recreatieve doeleinden, voorlopig bestemd voor centrumvoorzieningen park -Rd(p)/C-“, die met voorliggende herziening is komen te vervallen, voorziet deze bestemming niet in centrumvoorzieningen. Dat, zoals appellanten naar voren brengen, in artikel III.16, lid A, onder I, sub 2, een verwijzing is opgenomen naar de hiervoor bedoelde vervallen bestemming maakt dit niet anders.

Voorzover appellanten zich keren tegen een bestaande centrumvoorziening in het wijkpark, vat de Afdeling het beroep op als gericht op handhaving van het bestemmingsplan. Handhaving staat in deze procedure niet ter beoordeling.

2.6. Appellanten stellen voorts in beroep dat verweerder het plandeel met de bestemming “Uit te werken woondoeleinden met bijbehorende voorzieningen -UW(bv)-” ten onrechte heeft goedgekeurd. Daartoe voeren zij onder meer aan dat de directeur van de Ontwikkelingsmaatschappij Midden-IJsselmonde heeft toegezegd dat het perceel Bakkersdijk 28a, waarop dit plandeel mede betrekking heeft, onbebouwd zou blijven. Verder betogen zij dat bebouwing op deze plaats in strijd is met het RSP en dat het tevens een aantasting van het karakter van de lintbebouwing zal meebrengen.

2.6.1. Volgens de gemeenteraad zal bebouwing op het perceel [locatie] aan dezelfde eisen moeten voldoen als de lintbebouwing die ten noorden van dat perceel is voorzien. Volgens hem is niet gebleken van de aanwezigheid van karakteristieke bebouwing die een nadere afweging noodzakelijk maakt.

2.6.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de op deze plaats voorziene woonbebouwing in overeenstemming is met het RSP. Volgens hem zal nieuwbouw worden afgestemd op de bestaande lintbebouwing.

2.6.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust bij de gemeenteraad. De door appellanten bedoelde toezegging van de directeur van de Ontwikkelingsmaatschappij Midden-IJsselmonde kan niet aan de gemeenteraad worden toegerekend. Bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, heeft de gemeenteraad dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

De Afdeling ziet voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan op dit onderdeel in strijd is met het RSP. Daartoe overweegt zij dat blijkens de bij het RSP behorende plankaart lintbebouwing is voorzien op de desbetreffende gronden. Volgens onderdeel 9.2.8 van het RSP worden de binnen de bouwlocatie aanwezige linten, inclusief de bestaande kern Smitshoek, beschouwd als kwaliteitsdragers voor het plan. Bebouwing ten westen van de Bakkersdijk mag alleen worden toegevoegd op de wijze die onder 1. is geschetst voor de Voordijk. Hieruit volgt dat op de onbebouwde percelen ten westen van de Bakkersdijk vrijstaande woningen mogen worden gebouwd, met een bruto dichtheid van maximaal 16 woningen per hectare. Voorts dient ingevolge de in artikel III.1, lid A, onder III, van de in de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsregels een afstand van minimaal 20 meter te worden aangehouden tussen de Bakkersdijk en nieuw te bouwen woningen. Ingevolge deze uitwerkingsregels mogen binnen dit plandeel ten hoogste zeven vrijstaande eengezinswoningen worden gebouwd. Hiermee wordt voldaan aan het in het RSP voorgeschreven woningtype en aan de maximum bebouwingsdichtheid. Verder sluit het door appellanten aangehaalde uitgangspunt van het RSP dat de Bakkersdijk alleen toegankelijk mag zijn voor langzaam verkeer en bestemmingsverkeer niet uit dat dit plandeel op de Bakkersdijk wordt ontsloten. Het vorenstaande in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bebouwing op deze plaats niet zal leiden tot een aantasting van karakteristieke bebouwing aan de Bakkersdijk.

2.7. Het betoog van appellanten dat de Bakkersparkweg ten onrechte niet in zijn geheel in het plan is opgenomen en dat deze weg niet op alle plaatsen breed genoeg is, treft geen doel. Daartoe wordt overwogen dat het verloop van deze weg, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan “Portand I”, niet is gewijzigd. Zowel in het vorige plan als in het voorliggende bestemmingsplan is aan de gronden waarop deze weg is voorzien de bestemming “Verblijfsdoeleinden, auto’s toegestaan” toegekend. Voorzover de Bakkersparkweg is voorzien naast de hoofdwatergang, is aan de desbetreffende gronden tevens de bestemming “Waterstaatsdoeleinden” toegekend. In dit verband is verder niet gebleken dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de Bakkersparkweg voldoende breed is voor de voorgestane verkeersafwikkeling.

2.8. Appellanten stellen voorts in beroep dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd, voorzover daarin de bestemming “Waterstaatsdoeleinden -Mw-“ is toegekend aan gronden behorend bij de bestaande woningen ten westen van de Bakkersdijk. Hiertoe voeren zij aan dat de gebruiksmogelijkheden van de gronden met deze bestemming zullen worden beperkt.

2.8.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze bestemming noodzakelijk is in verband met het onderhoud van de aan de percelen aan de Bakkersdijk grenzende watergang (hierna: de watergang). In dit verband heeft hij erop gewezen dat door de gemeenteraad is toegezegd te bezien of compenserende maatregelen kunnen worden getroffen voor de plicht baggerspecie te ontvangen.

2.8.2. Blijkens de plantoelichting heeft de watergang, tezamen met een groenstrook, onder meer tot doel te voorzien in een buffer tussen bestaande woningen en nieuwbouw. Naar aanleiding van de zienswijze van appellanten op dit onderdeel, is het plan gewijzigd vastgesteld. In dit verband is in artikel V.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de voorschriften van het bestemmingsplan de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders opgenomen het plan te wijzigen, voorzover het de onderlinge wijziging van de situering van de bestemmingen “Groenvoorzieningen -G-“, “Hoofdwatergang” en “Waterstaatsdoeleinden -Mw-“ betreft. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om in plaats van de watergang te voorzien in een groenstrook langs de gronden behorend bij de bestaande woningen ten westen van de Bakkersdijk, zodat aan deze gronden niet langer de bestemming “Waterstaatsdoeleinden -Mw-“ behoeft te worden toegekend.

Ter zitting is gebleken dat de keuze voor een wijzigingsbevoegdheid met name is ingegeven door de noodzaak tot overleg met het waterschap IJsselmonde. Ten tijde van de vaststelling van het plan was het ongewis of het waterschap IJsselmonde kon instemmen met een gewijzigde ligging van de watergang. Voorts blijkt uit de stukken dat het mogelijk is het onderhoud van de watergang hoofdzakelijk te laten plaatsvinden vanaf de groenstrook ten westen daarvan. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht heeft behoeven toekennen aan de uit de bestemming “Waterstaatsdoeleinden -Mw-“ voortvloeiende beperkingen van het gebruik.

2.9. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich, behoudens hetgeen is overwogen betreffende het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", voorzover aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voorzover door appellanten bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is voor het overige dan ook ongegrond.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 29 april 2003, DRM/ARB/02/10521A, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", voorzover aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

178-275.