Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200304146/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2001 heeft de raad van de gemeente Rhenen (hierna: de raad), onder verwijzing naar het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van 7 maart 2001, het verzoek van appellant om de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/7298
O&A 2004, 61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304146/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rhenen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 mei 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Rhenen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2001 heeft de raad van de gemeente Rhenen (hierna: de raad), onder verwijzing naar het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van 7 maart 2001, het verzoek van appellant om de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2002 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 21 juli 2003, 10 augustus 2003 en 25 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 augustus 2003 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar appellant in persoon en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hofs en J.M. van Maanen, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant voert allereerst aan dat de SAOZ in strijd met de Procedureverordening Planschadevergoeding geen verslag van de mondelinge behandeling van het planschadeverzoek heeft toegezonden vóór de advisering aan de raad. Hoewel appellant hierin kan worden gevolgd, blijkt uit de stukken dat appellant voldoende in de gelegenheid is gesteld een reactie te geven op het SAOZ-advies en heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad bij het bestreden besluit hier ook rekening mee heeft kunnen houden. Niet staande kan worden gehouden dat appellant in dit verband in zijn belangen is geschaad.

2.2. Appellant voert voorts aan dat de betrokkenheid en inbreng van makelaar en taxateur E.M. Nefkens bij de totstandkoming van het SAOZ-advies niet direct herleidbaar uit dat advies blijkt. Daargelaten dat appellant deze grief eerst in hoger beroep heeft ingebracht en deze op zichzelf onvoldoende is om in twijfel te trekken of het SAOZ-advies op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen, wordt met de rechtbank overwogen dat appellant in bezwaar noch in beroep een tegenadvies heeft overgelegd teneinde de inhoud van het SAOZ-advies, waarmee hij zich kennelijk niet kan verenigen, te weerleggen. Dat appellant, overigens eerst in hoger beroep, alsnog een tegenadvies heeft overgelegd, maakt dit niet anders, nu dit tegenadvies niet als deugdelijke weerlegging van het SAOZ-advies kan gelden. Aan dit advies is immers geen planologische vergelijking ten grondslag gelegd en ook overigens is daarin niet gemotiveerd uiteengezet op welk onderdeel het SAOZ-advies onjuist dan wel onvolledig is.

2.3. Ten aanzien van hetgeen appellant stelt met betrekking tot de voorzienbaarheid van de planologische wijzigingen wordt het volgende overwogen.

Zoals de Afdeling onder meer in de uitspraken van 20 november 2000 en 26 november 2001, zaaknummers 200001623/1 en 200005612/1, AB 2001/378 en 379) heeft overwogen, wordt de voorzienbaarheid beoordeeld aan de hand van de vraag of voor de redelijk denkende en handelende koper op het tijdstip van de koop aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in ongunstige zin zou veranderen.

Appellant heeft het betrokken perceel op 15 september 1986 in eigendom verkregen. Op dat moment gold het in 1979 vastgestelde en in 1980 goedgekeurde bestemmingsplan “Grebbekwartier”. Uit de toelichting op dat bestemmingsplan blijkt dat gedurende de looptijd van het plan continuering en vooral intensivering van bedrijfsactiviteiten niet wenselijk werden geacht, maar dat actief beleid, gericht op het realiseren van een toekomstige woonfunctie, werd nagestreefd. Daarnaast was ten tijde van de aankoop van het betrokken perceel het ruimtelijk beleid neergelegd in de Structuurnota 1983, betrekking hebbend op de periode 1981-1990. Hierin werd melding gemaakt van het voornemen om een aantal bedrijven uit het Grebbekwartier te verplaatsen naar elders teneinde de vrijkomende gronden voor woningbouw te benutten. Gelet op deze beleidsvoornemens was ten tijde van de aankoop van het betrokken perceel het risico dat de planologische situatie in de (nabije) toekomst zou veranderen van bedrijfsdoeleinden naar woondoeleinden geenszins te verwaarlozen. Door desondanks het perceel aan te kopen moet appellant worden geacht het risico van de bestemmingswijziging te hebben aanvaard. Dat de precieze situering en omvang van de bestemmingswijziging van bedrijfsdoeleinden naar woondoeleinden nog niet vaststond, doet daar niet aan af.

Evenmin doet daaraan af dat in de toelichting bij het bestemmingsplan “Grebbekwartier” is opgenomen, dat de vestiging van niet hinderlijke bedrijven wordt bevorderd. Het gaat daarbij met name om het verplaatsen van minder goed bij de woonfunctie passende bedrijven naar elders, zodat een beter klimaat voor woningbouw kan worden gecreëerd. Dat ligt in het verlengde van het planologisch beleid dat is gericht op het verkrijgen van een betere startpositie voor woningbouw in het gebied Grebbekwartier. Ook hieruit blijkt, anders dan appellant betoogt, dat het ten tijde van de aankoop voorzienbaar was dat in een nieuw bestemmingsplan de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” zou moeten wijken voor de bestemming “Woongebied”.

2.3.1. Het vorenoverwogene houdt in dat ook de bestemmingswijziging van een deel van appellants schuur van “Bedrijfsdoeleinden” naar “Woonbestemming” met de nadere aanduiding “Opslag” voorzienbaar was. Daarenboven heeft de rechtbank terecht overwogen dat de raad zich ten aanzien van deze kwestie op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant geen schadevergoeding toekomt, omdat een voor woondoeleinden bestemde omgeving een gunstiger effect heeft op de waarde van de woning, dan een voor bedrijven bestemde omgeving. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat Gedeputeerde Staten goedkeuring hebben onthouden aan de bestemming die in het bestemmingsplan “Grebbekwartier Noord” was voorzien voor de grond waarop het voorste gedeelte van de schuur van appellant staat, zodat op deze grond de bestemming ingevolge het bestemmingsplan “Grebbekwartier” is blijven rusten en geen planologische wijziging is opgetreden.

2.4. Hetgeen appellant onder verwijzing naar de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor Statistiek stelt met betrekking tot de (milieu)zwaarte van de bedrijven die zich onder het oude planologische regime in de omgeving van zijn woning konden vestigen, treft evenmin doel. In aanmerking genomen dat de vraag of sprake is van planschade dient te worden beoordeeld aan de hand van een vergelijking van de planologische regimes en mede gelet op de omstandigheid dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat onder het oude planologische regime zware bedrijvigheid uitgesloten was op de gronden in de directe nabijheid van zijn perceel, wordt met de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 10 van de planvoorschriften behorende bij het voorheen geldende bestemmingsplan “Grebbekwartier” zware bedrijvigheid op korte afstand van het perceel van appellant mocht worden opgericht. In dit kader heeft de rechtbank, gelet op de kaart behorende bij voornoemd bestemmingsplan, terecht overwogen dat het onder het oude bestemmingsplan mogelijk was op een afstand van 4 meter van de woning van appellant bedrijfsbebouwing op te richten. De inrichting van de tuin van appellant doet aan de bebouwingsmogelijkheden onder het oude bestemmingsplan niet af.

2.5. Ten aanzien van de door appellante gestelde schade met betrekking tot het ophogen van terrassen voor bouwwerken wordt met de rechtbank overwogen dat het ophogen van de grond geen planologische wijziging is op grond waarvan planschade kan worden geclaimd. Omdat in het oude bestemmingplan noch in het nieuwe bestemmingsplan een aanlegvergunningenstelsel is opgenomen, konden respectievelijk kunnen deze werkzaamheden zowel onder het oude als het nieuwe planologische regime worden uitgevoerd.

2.6. Overigens wordt ten aanzien van de strook grond van 25 m2 die in eigendom is overgedragen aan appellant overwogen dat zowel uit het SAOZ-advies als het hoger beroepschrift blijkt en ook ter zitting in hoger beroep door appellant is bevestigd dat appellant dit stuk grond om niet heeft verkregen, met dien verstande dat door appellant is aangevoerd dat hij wel de notariële en andere kosten van overdracht daarvan heeft moeten betalen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat deze overdracht een rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of de vergoeding van de eventueel door appellant geleden schade voldoende anderszins is verzekerd.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

66-408.