Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200303454/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft de raad van de gemeente Ridderkerk (hierna: de raad) geweigerd appellant een schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/3984
Module Ruimtelijke ordening 2004/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303454/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ridderkerk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Ridderkerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft de raad van de gemeente Ridderkerk (hierna: de raad) geweigerd appellant een schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) toe te kennen.

Bij besluit van 18 juli 2002 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2003, verzonden op 17 april 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 juli 2003 heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, advocaat te Den Haag en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.L. van Pagee en ir. A.H. Bruinings, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Van de zijde van de raad zijn ter zitting stukken overgelegd. Bij brief van 20 februari 2004 heeft appellant hierop gereageerd.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover thans van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Appellant, woonachtig aan de [locatie] te Ridderkerk, voert aan dat de raad hem ten onrechte niet heeft gehoord over de vragen die bij de raad leefden met betrekking tot een in maart 2001 door de Stichting Advies Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) uitgebracht advies. Voorts stelt hij schade te ondervinden als gevolg van de aanleg van bedrijventerrein Veren Ambacht nabij zijn perceel. Hij betoogt dat zowel de raad als de rechtbank bij de met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding verrichte planologische vergelijking de oude planologisch situatie verkeerd hebben gewaardeerd en dat ook bij een maximale invulling van de planologische mogelijkheden zijn huis in waarde is gedaald. Verder betoogt hij dat de vermindering van de verkeershinder op de Rijksstraatweg niet inzichtelijk is gemaakt en dat deze hinder bovendien niet is afgenomen.

2.3. De raad heeft aan zijn besluit tot weigering van de gevraagde schadevergoeding het advies van de SAOZ uit augustus 2001 ten grondslag gelegd. Vast staat dat dit advies is voorafgegaan door een voorlopig advies uit maart 2001 dat is ingetrokken en vervangen door het advies van augustus 2001. In zijn brief van 6 juli 2001 aan de SAOZ heeft het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk commentaar gegeven op het eerdere advies van de SAOZ en aanvullende informatie verstrekt. Dat heeft de SAOZ aanleiding gegeven, ook in het kader van het door appellant gedane verzoek, een nieuw advies op te stellen. De SAOZ heeft appellant bij de aanvang van zijn onderzoek in de gelegenheid gesteld alle zijns inziens relevante informatie te verstrekken en een toelichting op zijn verzoek te geven. Mede gelet hierop heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om na de brief van 6 juli 2001 opnieuw te worden gehoord. Op de SAOZ noch de raad rustte een verplichting daartoe. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat het advies van augustus 2001 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de raad dit niet aan zijn besluit van 28 januari 2002 ten grondslag had mogen leggen. Dat appellant, naar hij stelt, niet op de hoogte is gebracht van het voorlopige advies brengt gelet op het feit dat de inhoud van de brief van 6 juli 2001 in het advies van augustus 2001 is verwerkt en in het verloop van de procedure ter sprake is geweest, niet met zich dat appellant in zijn belangen is geschaad. De rechtbank is eveneens tot dit oordeel gekomen.

2.4. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij dient te worden uitgegaan van een maximale invulling van de planologische mogelijkheden. In dit geval dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de bestemmingsplannen “Rijsoord” en “Landelijk Gebied 1972” enerzijds en het bestemmingsplan “Veren Ambacht” anderzijds.

2.5. Op het perceel van appellant rustte ingevolge het bestemmingsplan “Rijsoord” de bestemming “woondoeleinden”. Op dit perceel was de bouw van bij- en aanbouwen toegestaan tot maximaal 60 m² met een maximale hoogte van 3 meter. Ingevolge het bestemmingsplan “Veren Ambacht” rust op dit perceel eveneens de bestemming “woondoeleinden”. Ingevolge dit bestemmingsplan is de bouw van bij- en aanbouwen mogelijk tot maximaal 75 m² met een maximale goothoogte van 3 meter.

In dit bestemmingsplan is tevens in artikel 6, lid, 3,C,1 bepaald dat geen doorgaand autoverkeer zal worden toegelaten op het gedeelte van de Rijksstraatweg waar het perceel van appellant is gelegen.

Op de gronden ten westen en ten noordwesten van het perceel van appellant rustte ingevolge het daar geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1972” de bestemming “(Glas)tuinbouw, landbouw en veeteelt”. Deze gronden waren bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven en op deze gronden was de bouw van kassen, warenhuizen en andere glasopstellen mogelijk. De bouw van gebouwen, waaronder kassen, was toegestaan tot 5 meter uit de erfafscheiding en met een goothoogte van 5,50 meter. Tevens was de bouw van een bedrijfswoning toegestaan met een goothoogte van 6 meter en (met vrijstelling) van een tweede bedrijfswoning op een afstand van tenminste 5 meter van de eerste. Op een deel van deze gronden rust ingevolge het bestemmingsplan “Veren Ambacht” de bestemming “bedrijfsdoeleinden”. Op deze gronden mogen bedrijfsgebouwen met een hoogte van maximaal 10 meter worden gebouwd tot een oppervlakte van maximaal 90%. Tussen deze gronden en het perceel van appellant is een strook grond gelegen met de bestemming “groenvoorzieningen”. Hier is een landschappelijke overgangszone voorzien met een breedte van 25 tot 40 meter. Deze zone is bedoeld om het bedrijventerrein Veren Ambacht aan de waarneming vanaf de Rijksstraatweg te ontrekken.

2.6. Gelet op hetgeen op grond van de hiervoor genoemde bestemmingsplannen maximaal mogelijk was en is mochten en mogen de gronden ten westen en ten noordwesten van het perceel van appellant geheel dan wel nagenoeg geheel worden bebouwd met bedrijfsgebouwen, zij het dat op grond van het thans geldende bestemmingsplan gebouwen met een grotere hoogte mogen worden gebouwd, maar een grotere afstand tussen deze gronden en het perceel van appellant in acht dient te worden genomen. Op grond van dit laatste bestemmingsplan is, in tegenstelling tot de oude plannen, de bouw van een of twee bedrijfswoningen niet mogelijk. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de raad een juiste planologische vergelijking heeft gemaakt, nu deze aspecten in de vergelijking zijn betrokken.

Appellant heeft weliswaar een taxatierapport laten opstellen, maar nu hierin geen vergelijking is gemaakt tussen de oude bestemmingsplannen en het nieuwe bestemmingsplan, kan dit rapport geen rol spelen bij de beoordeling van het verzoek om planschadevergoeding.

De bouw van bedrijfsgebouwen op een afstand van 25 tot 40 meter van de grens van het perceel van appellant en een hoogte van 10 meter betekent, mede gelet op de tussenliggende groenstrook, geen planologische verslechtering ten opzichte van de situatie waarin de bouw van kassen met een goothoogte van maximaal 5.50 meter op 5 meter van deze perceelsgrens mogelijk was. Evenmin is van een dergelijke verslechtering sprake voorzover de onderscheiden bedrijfsgebouwen geluid, stank en licht veroorzaken. Dit geldt ook voor het voetpad achter het perceel van appellant.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat appellant als gevolg van het van kracht worden van het bestemmingsplan “Veren Ambacht” in een planologisch nadeliger situatie is geraakt dan waarvan voordien sprake was.

De rechtbank is op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.

Onder deze omstandigheden kan de vraag in hoeverre de wijziging van de verkeerssituatie alsmede de verkoop om niet van een strook grond aan appellant tot vermindering van de gestelde schade leiden, buiten beschouwing worden gelaten. Ook hetgeen appellant overigens aanvoert laat de Afdeling buiten beschouwing, omdat het aan bovenstaand oordeel niet kan afdoen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

164.