Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200303287/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2001 heeft appellant de publiekrechtelijke vergunning voor de uitoefening van de IJsselmeervisserij van [wederpartij] ingetrokken voor de periode van 1 mei 2001 tot 15 mei 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303287/1.

Datum uitspraak:14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

(thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 april 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Enkhuizen

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2001 heeft appellant de publiekrechtelijke vergunning voor de uitoefening van de IJsselmeervisserij van [wederpartij] ingetrokken voor de periode van 1 mei 2001 tot 15 mei 2001.

Bij uitspraak van 7 mei 2001 heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het besluit tot ongegrondverklaring van het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar vernietigd.

Bij uitspraak van 8 mei 2002 in zaak no. 200103055/1 heeft de Afdeling, beslissend op het hoger beroep van appellant, deze uitspraak vernietigd en de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State ter verdere behandeling naar de rechtbank teruggewezen.

Bij uitspraak van 16 april 2003, verzonden op 22 april 2003, heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar opnieuw vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 juli 2003 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak no. 200303307/1, op 14 oktober 2003 ter zitting behandeld, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar bij het ministerie, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. ing. J.A. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Ter zitting heeft de Voorzitter aanleiding gezien om partijen in de gelegenheid te stellen binnen een termijn van zes weken na zitting een door hen op te stellen schikking te overleggen. De Voorzitter heeft deze termijn op verzoek van appellant enkele malen verlengd, laatstelijk tot de finale termijn van 1 maart 2004.

Gebleken is dat partijen op laatstgenoemde datum geen overeenstemming hadden bereikt. Bij brief van 23 maart 2004 is aan appellant meegedeeld dat de Afdeling alsnog uitspraak zal doen. Een kopie van die brief is aan de wederpartij gezonden.

2. Overwegingen

2.1. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het in geding zijnde intrekkingsbesluit, zoals in bezwaar gehandhaafd, als punitieve sanctie moet worden gekwalificeerd. Appellant betoogt dat de rechtbank derhalve ten onrechte aanleiding heeft gezien de beslissing op bezwaar te vernietigen wegens strijd met artikel 7, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

2.2. Dit betoog slaagt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat, hoewel appellant aanvankelijk voornemens was om aan vissers die meerdere malen de regeling van 14 september 2000 (Stcrt. 15 september 2000, nr. 179; hierna: de regeling) hadden overtreden, geen vergunning meer te verlenen voor de visserij op het IJsselmeer voor het visseizoen 2000/2001, hij aanleiding heeft gezien om over te gaan tot de zijns inziens proportioneel te achten tijdelijke intrekking van de vergunning voor de periode van 1 mei 2001 tot 15 mei 2001. Teneinde te bewerkstelligen dat de met de regeling beoogde beperking van de visserij-inspanning alsnog zou plaatsvinden, moest hij de vergunning tenminste voor één week - de duur van de periode dat door [wederpartij] niet gevist had mogen worden - intrekken. Aangezien het gewicht en de aanvoer van IJsselmeervis gedurende één week in mei 2001, gelet op het gewicht en de waarde van de vis die in mei 2000 was aangevoerd, naar verwachting beduidend lager zou liggen dan die gedurende één week in september 2000, heeft appellant de intrekking voor een tweede week gerechtvaardigd geacht.

Het vorenstaande in aanmerking nemend, is de Afdeling van oordeel dat het intrekkingsbesluit een reparatoir karakter heeft. Het vindt zijn grond in het alsnog realiseren van de beoogde vangstbeperking en in het teniet doen van het door [wederpartij] genoten voordeel. Met de tijdelijke intrekking van de vergunning van 1 mei 2001 tot 15 mei 2001 is niet het bevorderen van de naleving van de toepasselijke rechtsnormen door middel van de toevoeging van extra leed ter afschrikking beoogd, zodat het geen punitieve sanctie betreft. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte aanleiding gezien om te beoordelen of met dat intrekkingsbesluit de uit artikel 7, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende waarborgen zijn geschonden, zodat zij de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft vernietigd wegens strijd met dit artikel.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Nu de rechtbank zich voor het overige over het in bezwaar gehandhaafde intrekkingsbesluit en een aantal daartegen door [wederpartij] in beroep aangevoerde gronden nog niet heeft uitgelaten, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State de zaak ter verdere behandeling naar de rechtbank terug te wijzen. De Afdeling wijst erop dat de rechtbank bij de behandeling van het beroep mede de slotoverweging van 2.6. van de Afdelingsuitspraak van 8 mei 2002 in zaak no. 200103055/1 dient te betrekken.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 april 2003, BESLU 02/1286;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Peute

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

391-45.