Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7463

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
200303035/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) appellante op grond van de RTP-Investeringsregeling Jonge Bedrijven Zuid-Limburg (hierna: de Investeringsregeling) subsidie verleend ten bedrage van maximaal ƒ 12.200,00 (€ 5.536,12), uitgaand van subsidiabele kosten van ƒ 48.800,00 (€ 22.144,47).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303035/1.

Datum uitspraak: 14 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Protomation B.V.", gevestigd te Sittard,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 april 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) appellante op grond van de RTP-Investeringsregeling Jonge Bedrijven Zuid-Limburg (hierna: de Investeringsregeling) subsidie verleend ten bedrage van maximaal ƒ 12.200,00 (€ 5.536,12), uitgaand van subsidiabele kosten van ƒ 48.800,00 (€ 22.144,47).

Bij besluit van 8 mei 2001 heeft het college, gelet op het advies van de Awb-commissie GS-bezwaarschriften van 12 april 2001, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, waarbij het maximale subsidiebedrag op ƒ 18.112,00 (€ 8.218,87), uitgaand van subsidiabele kosten van ƒ 72.450,00 (€ 33.783,94), is vastgesteld, en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 1 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [manager], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.W.M.L. Janssen, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Investeringsregeling is op 1 februari 2000 door het college vastgesteld (Provinciaal Blad van Limburg 2000, 3). Zij vormt een uitwerking van het uit 1996 daterende Regionaal Technologie Plan Limburg. Ter zitting is komen vast te staan dat zij berust op de door provinciale staten vastgestelde Subsidieverordening uit 1999, waarin de bevoegdheid tot het vaststellen van tijdelijke subsidieregelingen is gedelegeerd aan het college.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Investeringsregeling wordt in deze regeling en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

g. industrieel weefsel: bedrijven die op het moment van het indienen van een aanvraag bij de Kamer van Koophandel zijn ingeschreven onder, voorzover thans van belang, de BIK-code 72.

h. investeringsproject: een samenhangend geheel van door de onderneming aan te gane financiële verplichtingen ter zake van de aanschaf van duurzame bedrijfsuitrusting voor de vergroting van de bedrijfscapaciteit. Onder bedrijfscapaciteit wordt in dit verband verstaan het door de duurzame bedrijfsuitrusting bepaalde, (technische) maximale vermogen tot produceren/voortbrengen per tijdseenheid.

i. duurzame bedrijfsuitrusting: niet eerder in het primaire voortbrengingsproces ingezette machines en installaties behorend tot de materiële vaste activa zoals die op de balans onderscheiden worden conform artikel 364 en 366, Boek 2, Burgerlijk Wetboek en rechtstreeks bestemd voor productiedoeleinden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Investeringsregeling kan op aanvraag subsidie worden verleend aan de jonge MKB-onderneming, behorend tot het industrieel weefsel, die in de regio een investeringsproject tot stand brengt.

Ingevolge artikel 8, zesde lid, van de Investeringsregeling kunnen gedeputeerde staten de subsidieontvanger bij de subsidieverlening nadere verplichtingen opleggen.

2.2. Niet in geschil is dat aan appellante, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder de BIK-code 7220 "Computer en ICT-bureau", een subcode onder de BIK-code 72, subsidie kon worden verleend op grond van artikel 3, eerste lid, van de Investeringsregeling.

2.3. In hoger beroep is ten eerste in geschil het oordeel van de rechtbank dat de door het college gehanteerde uitleg van het begrip "bedrijfscapaciteit" niet zodanig onjuist is dat de daarop gebaseerde beslissing van het college van 8 mei 2001 om die reden niet in stand kan blijven. Appellante acht de uitleg van dit begrip te beperkt. Zij betoogt dat de definitie van bedrijfscapaciteit in artikel 1, onder h, van de Investeringsregeling geen nadere uitleg behoeft. Omdat het woord "technische" tussen haakjes staat, dient volgens haar in geval van subsidieverlening aan dienstverlenende bedrijven met bijvoorbeeld de BIK-code 72, 742 of 900 de definitie gelezen te worden onder weglating van dat adjectief. Zij is daarbij van mening dat het systeem van de Investeringsregeling in de weg staat aan de door het college gegeven uitleg van het begrip "bedrijfscapaciteit".

Voorts is het hoger beroep gericht tegen de door het college aan de subsidieverlening verbonden voorwaarde, waarbij dezelfde uitleg van het begrip "bedrijfscapaciteit" is gevolgd. De voorwaarde houdt in dat de subsidie naar rato gekort kan worden, indien en voorzover de uitbreiding van de bedrijfscapaciteit in de vorm van drie additionele personeelsleden waarvoor subsidie wordt verleend, niet wordt gerealiseerd. Appellante voert aan dat in haar geval sprake is van een ongelijke behandeling ten opzichte van subsidieverleningen voor investeringen in productiemachines in plaats van in personele capaciteit.

2.4. Volgens het college is het regel dat in geval van aanvragen van dienstverlenende bedrijven de bedrijfscapaciteit (en de toename daarvan) wordt vastgesteld aan de hand van de (uitbreiding van de) personele capaciteit. De door het college aan de subsidieverlening verbonden voorwaarde is gebaseerd op zijn uitleg van het begrip "bedrijfscapaciteit".

2.5. Naar het oordeel van de Afdeling is de uitleg door het college van het begrip bedrijfscapaciteit onjuist. Niet valt in te zien dat bij het bepalen van de bedrijfscapaciteit van appellante, die naast een dienstverlenend bedrijf ook producent van software en hardware is, niet kan worden uitgegaan van het maximale vermogen tot produceren van software en/of hardware per tijdseenheid.

Ter zake van de kortingsvoorwaarde wordt overwogen dat het college op grond van artikel 8, zesde lid, van de Investeringsregeling de subsidieontvanger bij de subsidieverlening nadere verplichtingen mag opleggen. Aangezien de eventuele korting gerelateerd is aan de al dan niet gerealiseerde uitbreiding van de bedrijfscapaciteit met drie personeelsleden, kan deze voorwaarde, gelet op het vorenoverwogene, in deze vorm niet onverkort worden gehandhaafd. Het betoog van appellante slaagt derhalve.

2.6. Het college heeft, naar ter zitting is komen vast te staan, subsidie verleend voor een hoger bedrag dan zou zijn verleend bij een juiste toepassing van de Investeringsregeling. Ter zitting heeft het college immers verklaard dat ook van subsidiëring uitgesloten kosten in het voorliggende geval subsidiabel zijn gesteld. Gelet hierop en aangezien het instellen van (hoger) beroep er niet toe mag leiden dat appellante in een slechtere positie komt dan zonder het instellen van (hoger) beroep het geval zou zijn geweest, ziet de Afdeling aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar voorzover het de subsidieverlening van ƒ 18.112,00 (€ 8.218,87) betreft, in stand te laten.

2.7. Het hoger beroep is, gelet op het vorenoverwogene, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.6. is overwogen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar voorzover het de subsidieverlening ten bedrage van ƒ 18.112,00 (€ 8.218,87) betreft, in stand blijven.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 april 2003, AWB 01/812 VEROR I;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 8 mei 2001, 2001/22533;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voorzover het de subsidieverlening ten bedrage van ƒ 18.112,00 (€ 8.218,87) betreft;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 482,68; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat de provincie Limburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 552,20) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2004

164-424.