Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200307800/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 19 augustus 2002 heeft verweerder met toepassing van artikel 5:24, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van appellant bestuursdwang toegepast als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van huisvuilzakken die zijn aangetroffen op de locatie hoek [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 8 oktober 2002, kenmerk 2002/55529, is deze beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 224
JOM 2006/1065
JAF 2004/27 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307800/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 19 augustus 2002 heeft verweerder met toepassing van artikel 5:24, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van appellant bestuursdwang toegepast als geregeld in artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht ter zake van huisvuilzakken die zijn aangetroffen op de locatie hoek [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 8 oktober 2002, kenmerk 2002/55529, is deze beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld.

Bij besluit van 23 juli 2003, kenmerk II-409-2002/2255529, verzonden op 12 augustus 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 augustus 2003, ingekomen bij de rechtbank ’s-Gravenhage op 20 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 oktober 2003, ingekomen bij de rechtbank ’s-Gravenhage op 3 november 2003, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Deze geschriften zijn bij brief van 21 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 november 2003, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2004, waar appellant in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door C. Bengoua-van Duijn, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met, bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking. Ingevolge het vierde lid wordt in de beschikking een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen. Ingevolge het vijfde lid behoeft geen termijn te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. Ingevolge het zesde lid zorgt het bestuursorgaan, indien de situatie dermate spoedeisend is dat het de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

2.2. Ingevolge artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

Ingevolge artikel 10.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer bevat de afvalstoffenverordening ten minste regels omtrent:

a. het overdragen of het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan een bij of krachtens de verordening aangewezen inzameldienst;

b. het overdragen van zodanige afvalstoffen aan een ander;

c. het achterlaten van zodanige afvalstoffen op een daartoe ter beschikking gestelde plaats.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen voorts bij de afvalstoffenverordening regels worden gesteld omtrent het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Op 1 juli 1997 heeft de gemeenteraad van Leiden de Afvalstoffenverordening 1999 vastgesteld (hierna: de Afvalstoffenverordening).

In artikel 21, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening is bepaald dat burgemeester en wethouders de dagen en tijden vaststellen waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. In het tweede lid is bepaald dat het verboden is huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.

Op 15 september 1998 heeft verweerder vastgesteld de dagen, tijden en wijzen voor ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel. Blijkens dit besluit dienen de huisvuilzakken in de wijk waarin de onderhavige locatie is gelegen, te worden aangeboden op dinsdag en vrijdag.

2.3. Appellant voert aan dat verweerder in strijd met artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift het bestreden besluit heeft genomen.

De Afdeling overweegt dienaangaande dat een overschrijding van de wettelijke beslistermijn de rechtmatigheid van het besluit niet aantast. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellant kan zich er niet mee verenigen dat verweerder is overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang. Appellant betoogt dat hij niet kan worden aangemerkt als overtreder. Daartoe wijst hij er op dat hij ten tijde van de overtreding niet meer woonachtig was aan de Hogewoerd 11 te Leiden, maar reeds was verhuisd naar ‘s-Hertogenbosch. Verder bestrijdt hij anderen in de gelegenheid te hebben gesteld de overtreding te begaan. Appellant merkt op dat het voor hem niet meer mogelijk was na zijn verhuizing uit Leiden de in de woning achtergebleven vuilniszakken zelf te verwijderen, omdat hij de woning niet meer kon betreden. Appellant voert voorts aan dat onvoldoende is gebleken van enig spoedeisend belang op grond waarvan verweerder toepassing heeft kunnen geven aan artikel 5:24, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant kan worden aangemerkt als overtreder van artikel 21 van de Afvalstoffenverordening nu door appellant zelf de desbetreffende huisvuilzakken zijn aangeboden, dan wel doordat hij anderen in de gelegenheid heeft gesteld de overtreding te begaan. Teneinde de overtreding ongedaan te maken, heeft verweerder direct bestuursdwang toegepast. Volgens verweerder is daarbij sprake geweest van voldoende spoedeisend belang om toepassing te kunnen geven aan artikel 5:24, vijfde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil is dat op maandag 19 augustus 2002 op de hoek [locatie] te [plaats] huisvuilzakken zijn aangetroffen die afkomstig waren van appellant. Vast staat dat daardoor artikel 21 van de Afvalstoffenverordening is overtreden. Verweerder heeft zich derhalve terecht bevoegd geacht te dien aanzien handhavend op te treden.

2.4.3. Ter zitting heeft appellant erkend dat hij ook na het beëindigen van de huurovereenkomst nog enige tijd toegang had tot de woning aan de [locatie], daar hij de sleutels van deze woning nog in zijn bezit had. Voorts heeft appellant ter zitting te kennen gegeven met de verhuurder te hebben afgesproken dat appellant zelf zijn spullen die nog in de woning aanwezig waren, zou afvoeren, waaronder ook de huisvuilzakken. Appellant heeft ter zitting tevens zijn verantwoordelijkheid voor de huisvuilzakken erkend. Daargelaten de vraag door wie de desbetreffende huisvuilzakken ter inzameling zijn aangeboden op de onderhavige locatie, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling onder deze omstandigheden appellant terecht aangemerkt als overtreder. Dat appellant op het moment van de overtreding feitelijk niet meer woonachtig was te Leiden en reeds was verhuisd naar ’s-Hertogenbosch, zoals hij zelf stelt, maakt dat niet anders.

2.4.4. De Afdeling ziet in het door appellant aangevoerde, noch voor het overige aanleiding voor het oordeel dat verweerder onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan het vijfde en zesde lid van artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van der Maesen de Sombreff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

190-335.