Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200306821/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2003, kenmerk R 03005/2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bewerken van hout en plaatmateriaal, gelegen op de percelen [locatie], kadastraal bekend gemeente Bergambacht, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 4 september 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306821/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergambacht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2003, kenmerk R 03005/2001, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bewerken van hout en plaatmateriaal, gelegen op de percelen [locatie], kadastraal bekend gemeente Bergambacht, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 4 september 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2004, waar appellante, J.G.A. Roelofsen en J.W. van der Spoel, beiden gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. N.M. Heemskerk, C. Bhoera en ing. S. Janse, allen gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellante voert aan dat de in het aan de vergunning verbonden voorschrift 13.1 gestelde termijn van zes maanden te kort is. Daartoe betoogt zij dat de in de brief van de Nederlandse bond van Timmerfabrikanten van 4 februari 2003 vermelde overgangsdatum voor watergedragen verven van 1 januari 2004 niet kan worden gegarandeerd, nu er binnen de branche enige vertraging bij het invoeren van deze maatregelen is opgelopen. Appellante betoogt dan ook dat deze verplichting enkel in redelijkheid aan haar kan worden opgelegd indien daarbij op juiste wijze rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen binnen de branche daaromtrent.

2.2.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de aanvraag is gebleken dat het voornemen bestaat om verfstoffen met een hoog gehalte aan vluchtige organische stoffen (hierna: VOS) te vervangen door watergedragen verfstoffen. Verweerder acht het, onder verwijzing naar de brief van de Nederlandse bond van Timmerfabrikanten van 4 februari 2003, redelijk dat uiterlijk binnen zes maanden na het van kracht worden van de vergunning binnen de inrichting bij verfspuitwerkzaamheden uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van watergedragen verven. Deze termijn is volgens hem lang genoeg om de noodzakelijke voorzieningen te treffen.

2.2.2. In voorschrift 13.1 behorende bij de revisievergunning van 26 augustus 2003 is bepaald dat uiterlijk zes maanden na het van kracht worden van deze vergunningen bij verfspuitwerkzaamheden uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van watergedragen verven.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat in de vergunningaanvraag van 10 april 2001 in paragraaf 4.4 staat vermeld dat het de bedoeling is dat in de toekomst wordt overgeschakeld van oplosmiddelenhoudende verf op oplosmiddelarme of watergedragen verf, maar dat dit mede afhankelijk is van de vraag uit de markt. Vooralsnog eisen opdrachtgevers producten die met oplosmiddelenhoudende verf zijn bewerkt. Als dat in de toekomst zo blijft, zal van overschakeling op oplosmiddelarme verf slechts langzaam sprake kunnen zijn, aldus de aanvraag. In paragraaf 8.8 wordt verder nog opgemerkt dat de productie van meterkasten zal worden verplaatst en dat daarna de huidige spuitinrichting zal worden gemoderniseerd, waarbij watergedragen verf en lak zijn toepassing zal vinden. Hierbij is geen tijdstip genoemd. Gezien de bewoordingen van de aanvraag, kan, anders dan verweerder meent, niet worden gesteld dat vergunninghoudster thans reeds vergunning heeft aangevraagd voor het gebruik van uitsluitend watergedragen verf per 1 januari 2004.

Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat verweerder indien het belang van de bescherming van het milieu dit vereist het gebruik van dergelijke verf kan voorschrijven, tenzij het gebruik daarvan redelijkerwijs niet van vergunninghoudster kan worden gevergd.

In het verweerschrift heeft verweerder gewezen op het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS Richtlijn milieubeheer, waar de verplichting tot het omschakelen op watergedragen verven in opgenomen zou zijn, zodat dit van appellante gevergd kan worden. De Afdeling constateert dat in het onderhavige geval, waar het gaat om een bestaande installatie in de zin van artikel 1 van dit besluit, terwijl nog niet wordt voldaan aan de eisen van de artikelen 3 en 4, de verplichtingen van die artikelen thans nog niet gelden. Verweerder heeft dan ook ten onrechte met verwijzing naar genoemd Oplosmiddelenbesluit het standpunt ingenomen dat het gebruik van watergedragen verven per 1 januari 2004 redelijkerwijs van appellante kan worden gevergd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar hetgeen op dit vlak in de branche gebruikelijk is. In dat kader heeft hij de brief van de Nederlandse bond van Timmerfabrikanten van 4 februari 2003 gehanteerd. Appellante heeft in de bedenkingen ten aanzien van het ontwerp van het besluit wat betreft deze brief naar voren gebracht dat de daarin genoemde overgangsdatum van 1 januari 2004, waarbij binnen de branche zou kunnen worden overgegaan op het gebruik van uitsluitend watergedragen verf, niet haalbaar is gebleken. Dit is niet door verweerder betwist. Door er in het bestreden besluit desondanks vanuit te gaan dat genoemde datum haalbaar is voor de branche en mitsdien redelijkerwijs van appellante kon worden gevergd, heeft verweerder het bestreden besluit gebaseerd op een ondeugdelijke motivering, waardoor het besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond treft doel.

2.3. Appellante voert aan dat voorschrift 3.24 ten onrechte aan de vergunning is verbonden. In dat kader betoogt zij onder meer dat een nader onderzoek onnodig is, nu uit de aanvraag op voldoende wijze kan worden afgeleid dat er sprake is van naleefbare stralingsnormen. Indien verweerder een nader onderzoek noodzakelijk vindt, dient hij, volgens appellante, dit zelf uit te voeren. Bovendien is onduidelijk wat verweerder verstaat onder het treffen van maatregelen, aldus appellante.

2.3.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in voorschrift 3.24 opgenomen stralingsnormen naleefbaar zijn. Verweerder heeft echter de onderzoeksverplichting noodzakelijk geacht om te kunnen verifiëren of ook bij de door vergunninghoudster gekozen wijze van opslag van hout gedurende het in werking zijn van de inrichting daadwerkelijk aan de desbetreffende normen kan worden voldaan.

2.3.2. Voorschrift 3.24 bepaalt dat degene die de inrichting drijft middels een onderzoek moet aantonen dat, ingeval van brand in de inrichting, de stralingsbelasting op de gevel van geen enkele woning, die in de nabijheid van de inrichting is gelegen, hoger is dan 4 kW/m2 en de stralingsbelasting op de gevel van enig ander gebouw van derden niet hoger is dan 15 kW/m2. Indien niet wordt voldaan aan deze eis, dient de inrichtinghouder maatregelen te treffen, waardoor wel aan de eis kan worden voldaan. Het onderzoeksrapport dient binnen 4 maanden na het van kracht worden van de beschikking ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden overhandigd.

2.3.3. De Afdeling stelt allereerst vast dat in de vergunning niet is geregeld waar de opslag van hout op het terrein van de inrichting moet plaatsvinden. Tussen partijen is niet in geschil dat de opslag van hout zodanig binnen de inrichting kan plaatsvinden dat de in voorschrift 3.24 gestelde normen op de gevel van woningen van derden en andere gebouwen naleefbaar zijn. Dit komt de Afdeling niet onaannemelijk voor, nu niet is gebleken dat onvoldoende ruimte voor de opslag beschikbaar is. Verder blijkt uit de aanvraag dat de dichtstbijgelegen woning is gelegen op 50 meter van de erfgrens van de inrichting. Daarbij komt dat in voorschrift 3.23 onder meer is bepaald dat de buitenopslag van hout en afvalhout een hoogte van 2,5 meter niet mag overschrijden en daarbij tevens een strook van minimaal 2 meter tussen de opslagplaats en de erfafscheiding moet worden vrijgehouden.

Wat betreft appellantes betoog dat een nader onderzoek onnodig is, nu uit de aanvraag op voldoende wijze kan worden afgeleid dat er sprake is van naleefbare stralingsnormen, overweegt de Afdeling het volgende. Voorschrift 3.24, voorzover het de stralingsnormen betreft, is een doelvoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Ingevolge artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer dient, indien aan een vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, aan de vergunning in ieder geval ook een voorschrift te worden verbonden, inhoudende dat op een daarbij aangegeven wijze moet worden bepaald of aan deze normen wordt voldaan. De omstandigheid dat, zoals appellante stelt, uit de aanvraag door verweerder kan worden afgeleid dat aan de gestelde normen kan worden voldaan, doet daaraan niet af, aangezien deze verplichting tot doel heeft te controleren of de inrichting, wanneer zij eenmaal in overeenstemming met de vergunning in werking is, ook daadwerkelijk aan deze normen kan voldoen. De Afdeling is van oordeel, gelet op de aard en omvang van de inrichting, dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet onnodig bezwarend moet worden geacht om met een onderzoeksrapport na te gaan of de in voorschrift 3.24 opgenomen stralingsnormen kunnen worden nageleefd.

Voorzover appellante naar voren heeft gebracht dat het onduidelijk is wat verweerder verstaat onder het treffen van maatregelen, overweegt de Afdeling dat uit de tekst en strekking van dit voorschrift volgt dat het maatregelen dienen te betreffen waardoor brandoverslag bij een calamiteit wordt voorkomen, dan wel de risico’s tot een minimum wordt beperkt.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bepaalde in voorschrift 3.24 redelijkerwijs van appellant kon worden gevergd.

2.3.4. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. In verband daarmee dient de bestreden beslissing te worden vernietigd voorzover het voorschrift 13.1 betreft.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergambacht van 26 augustus 2003, kenmerk R 03005/2001, voorzover het voorschrift 13.1 betreft;

III. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergambacht in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Bergambacht te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de gemeente Bergambacht aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

-375.