Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200306685/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2003, kenmerk 3257/2002, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het slachten van dieren, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 28 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306685/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2003, kenmerk 3257/2002, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het slachten van dieren, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 28 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 8 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 november 2003.

Bij brief van 26 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [vergunninghouder]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2004, waar appellanten, van wie [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. N.M. Heemskerk en M.A. Engel, medewerkers van de Milieudienst Midden-Holland, zijn verschenen.

Voorts is als partij [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smit, advocaat te Rotterdam, en A. Euser, gemachtigde, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellanten voeren aan dat ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden ter beperking van de geurhinder afkomstig van met levend pluimvee geladen vrachtwagens die voor langere tijd op het buitenterrein van de inrichting zijn geparkeerd. Zij betogen dat logistieke problemen in de aanvoer nog niet rechtvaardigen dat geheel geen voorschrift hieromtrent aan de vergunning is verbonden. Verweerder heeft, aldus appellanten, bij de beoordeling van de geurhinder vanwege de inrichting de geuremissie die deze vrachtwagens met zich brengen ten onrechte niet betrokken.

2.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen beoordelingskader is voor (cumulatie van) geurhinder veroorzaakt door het in de buitenlucht houden van pluimvee. Hij wijst erop dat de aanvoer is afgestemd op de verwerkingscapaciteit, waardoor het slechts incidenteel voorkomt dat gelijktijdig meerdere vrachtwagens op het terrein aanwezig zijn. Hij stelt dat voor onaanvaardbare geuroverlast ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen vanwege het incidenteel verblijven van met pluimvee geladen vrachtwagens in de buitenlucht niet behoeft te worden gevreesd, gezien de afstand tussen de geurbron en de dichtstbijzijnde woning en de hoeveelheid in de vrachtwagens aanwezig pluimvee.

2.4. De Afdeling stelt vast dat in het geurrapport van Oranjewoud van september 2002, dat deel uitmaakt van de aanvraag, is vermeld dat de aanvoer van kuikens is afgestemd op de slachtcapaciteit van 12.000 kuikens per uur ter voorkoming van stagnatie en onnodige (piek)geuremissie. Ter zitting is door [vergunninghouder] gesteld dat nooit tegelijkertijd twaalf met levend pluimvee geladen vrachtwagens binnen de inrichting aanwezig zullen zijn, omdat de aanvoer voortdurend wordt gereguleerd door de drijver van de inrichting. Mede gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat, zoals appellanten aanvoeren, de met levend pluimvee geladen vrachtwagens voor langere tijd worden gestald op het buitenterrein van de inrichting. Verder is ter zitting gebleken dat de afstand van het achterterrein van de inrichting waar de met levend pluimvee geladen vrachtwagens moeten wachten tot de dichtstbijzijnde woning ongeveer 150 meter bedraagt. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een nader voorschrift ter beperking van geurhinder afkomstig van de vrachtwagens niet nodig is. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gestelde cumulatie van geurhinder.

2.5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

255-372.