Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7121

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200304495/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft appellant, onder verwijzing naar het advies van de schadebeoordelingscommissie Enschede (hierna: de commissie) van 21 maart 2001, het verzoek van [verzoeker] om de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/1702
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304495/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Enschede,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 mei 2003 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Enschede

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft appellant, onder verwijzing naar het advies van de schadebeoordelingscommissie Enschede (hierna: de commissie) van 21 maart 2001, het verzoek van [verzoeker] om de vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), afgewezen.

Bij besluit van 9 september 2002 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door L.M. Kelly-van Oort, ambtenaar der gemeente, en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door M.G.J. Beimer, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep wordt bestreden het oordeel van de rechtbank dat appellant bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om planschadevergoeding van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan door hetgeen onder het oude planologische regime was toegestaan te vergelijken met de huidige feitelijke situatie.

2.1.1. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding dient op grond van artikel 49 van de WRO te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van de betreffende planologische regimes maximaal kon/kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.1.2. Appellant heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat, hoewel bij een planologische vergelijking rekening moet worden gehouden met de maximale bebouwingsmogelijkheden van de beide bestemmingsplannen, daarnaast ten aanzien van het nieuwe planologische regime de inmiddels gerealiseerde bebouwing van betekenis is. Daarvan uitgaand zijn aan de hand van een vijftal planologische aspecten de maximale bebouwingsmogelijkheden, die onder het oude bestemmingsplan waren toegestaan - en ten aanzien waarvan in dit geval overigens de vraag rijst of de vrijstellingsmogelijkheden niet zijn overschat - vergeleken met de op basis van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk gerealiseerde situatie. Op grond van deze planvergelijking heeft appellant geconcludeerd dat het nieuwe bestemmingsplan niet leidt tot waardevermindering van de woning van [verzoeker].

2.1.3. Met de rechtbank moet worden geconcludeerd dat appellant aldus onvoldoende oog heeft gehad voor hetgeen onder het nieuwe bestemmingsplan maximaal kan worden gerealiseerd en gelet daarop bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] om de vergoeding van planschade niet de juiste maatstaf heeft aangelegd. Dit betekent dat het in bezwaar gehandhaafde besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

66-408.