Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200304062/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2000 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, thans Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) het aan appellanten in eigendom toebehorende object [locatie] te [plaats], zijnde het [monument], aangewezen als beschermd monument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304062/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

[appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

[appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 mei 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, thans Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2000 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, thans Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) het aan appellanten in eigendom toebehorende object [locatie] te [plaats], zijnde het [monument], aangewezen als beschermd monument.

Bij besluit van 27 juni 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2003, verzonden op 15 mei 2003, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 juli 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten, de Staatssecretaris en van de Stichting Menno van Coehoorn (hierna: de Stichting), die als belanghebbende op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als partij aan het geding deelneemt. Deze zijn alle aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.A. Valkenburcht, ambtenaar bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de Stichting, vertegenwoordigd door W. Annema, gemachtigde, en de raad van de gemeente Beverwijk, eveneens belanghebbende op de voet van artikel 8:26 van de Awb, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, ten eerste, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder monumenten verstaan: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. Ingevolge onderdeel i van dit artikel wordt onder de Raad verstaan: de Raad voor cultuur, bedoeld in artikel 2a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister), al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel vraagt de Minister, voordat hij ter zake een beschikking geeft, advies aan de raad van de gemeente waarin het monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tevens aan gedeputeerde staten.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel beslist de Minister, de Raad gehoord, binnen tien maanden na de datum van de verzending van de adviesaanvraag aan de gemeenteraad, dan wel indien om aanwijzing is verzocht, binnen tien maanden na ontvangst van dat verzoek.

2.1.1. Ingevolge artikel 3 gelezen in samenhang met artikel 2, tweede lid en onder b, van de Beleidsregels aanwijzing beschermde monumenten op verzoek (hierna: de beleidsregels) kan een verzoek tot aanwijzing als beschermd monument van een monument dat is vervaardigd in de periode van 1850 tot 1940 en dat is gelegen in een gebied waar de Monumenten Registratie Procedure (MRP) is afgesloten, worden toegewezen, indien het verzoek een monument betreft dat

a. …

b. eerder is beoordeeld en ten aanzien waarvan daarna nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken,

c. …

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 14 april 2000 heeft de Staatssecretaris het [monument] aangewezen als beschermd monument. Het [monument] omvat het [monument]eiland, de [monument]gracht, restanten van de betonnen [monument]bebouwing met onderdelen van het oorspronkelijke geschut, enkele grenspalen, een genieloods en de keelbeplanting. Het [monument] maakt deel uit van de voormalige Stelling van Amsterdam, de kringstelling van permanente verdedigingswerken rond de hoofdstad die als geheel door de UNESCO op de werelderfgoedlijst is geplaatst.

2.3. Het hoger beroep van appellanten is allereerst gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het [monument], uit het oogpunt van ligging, opzet en bouwkundige elementen nog zoveel herkenbare kenmerken heeft, dat niet kan worden gesteld dat de aangegeven monumentale waarde feitelijk verloren is gegaan. Volgens appellanten miskent de rechtbank dat het [monument] geen zelfstandige monumentale waarde heeft, aangezien minder dan 10% van het oorspronkelijke [monument] is overgebleven terwijl de bouwkundige staat van deze restanten als slecht moet worden gekwalificeerd. Ook het oordeel van de rechtbank dat het [monument] niet los kan worden gezien van de Stelling van Amsterdam, achten appellanten onjuist omdat dat een geheel ander beoordelingskader betreft dan het beoordelingskader van de Monumentenwet en het daarop gebaseerde beleid.

2.3.1. Appellanten kunnen hierin niet worden gevolgd. Hoewel van de bebouwing van het [monument] niet veel over is, is uit de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat van die bebouwing en de overige elementen die het [monument] kenmerken voldoende, goed herkenbaar aanwezig is waardoor de Staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aanwijzing van het [monument] als rijksmonument gerechtvaardigd is. Daar komt bij dat nationale wet- noch regelgeving zich ertegen verzet dat bij de bepaling van de monumentale waarde de betekenis van het [monument] als onderdeel van de Stelling van Amsterdam dat als geheel als te beschermen monumentaal complex op de werelderfgoedlijst is geplaatst, in de waardering wordt meegewogen. Inzoverre treft het betoog van appellanten evenmin doel.

2.4. De stelling van appellanten dat de Staatssecretaris het verzoek om aanwijzing van het [monument] als beschermd monument gelet op artikel 3 van de beleidsregels reeds had moeten afwijzen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden volgt de Afdeling niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat plaatsing van het [monument] op de werelderfgoedlijst alsmede het toegenomen belang als gevolg van gegroeide deskundige kennis en inzicht over de monumentale waarde van het [monument], nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in het voor de toepassing van artikel 3 van de beleidsregels van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b van die beleidsregels.

2.5. Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de gehandhaafde aanwijzing op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, aangezien dit besluit mede is gebaseerd op door de gemeenteraad van Beverwijk (hierna: de gemeenteraad), de provincie en de bezwaarschriftencommissie van het ministerie uitgebrachte negatieve adviezen, waardoor op de Staatssecretaris een extra zware motiveringsplicht rustte waaraan hij niet heeft voldaan.

2.5.1. Dit betoog faalt. In de bijlage behorend bij het primaire besluit en het besluit op bezwaar heeft de Staatssecretaris de betekenis van de inhoud van de onderscheiden adviezen voor zijn uiteindelijke besluitvorming genoegzaam kenbaar gemaakt. Daarbij is naar het oordeel van de Afdeling toereikend uiteengezet waarom is afgeweken van het advies van de gemeenteraad Beverwijk om het [monument] wegens gebrek aan monumentale waarde niet aan te wijzen als monument en het advies van de provincie Noord-Holland om de planologische ontwikkelingen ter plaatse te laten prevaleren boven de erkende monumentale waarde van het [monument]. In het besluit op bezwaar zijn in samenhang daarmee tevens genoegzaam de redenen uiteengezet waarom is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie.

2.6. Appellanten hebben betoogd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat met de in 1993 tussen appellanten en de provincie gesloten overeenkomst aan het [monument] voldoende bescherming wordt geboden zolang de voorgestane planologische ontwikkelingen nog niet worden uitgevoerd. Volgens appellanten was met deze overeenkomst het behoud van het [monument] voldoende gewaarborgd. Dit betoog treft evenmin doel.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in het geval dat bij de verschillende bestuursorganen sprake is van botsende economische en monumentale belangen, het op de weg van de Staatssecretaris ligt, erop toe te zien dat aan laatstbedoelde belangen voldoende recht wordt gedaan. De overeenkomst als bovenbedoeld had, zo is ter zitting bevestigd, uitsluitend tot doel een voortijdige sloop van het [monument] tegen te houden tot het moment dat de planologische ontwikkelingen in dat gebied concreet gestalte zouden krijgen. Van enige daadwerkelijke monumentale bescherming van het [monument] was aldus geen sprake.

Nu aanwijzing van het [monument] als rijksmonument niet betekent dat ingrijpende wijzigingen eraan niet meer tot de mogelijkheden behoren, ziet de Afdeling in het betoog van appellanten geen grond voor het oordeel dat de Staatssecretaris de aanwijzing achterwege had moeten laten omdat de gevolgen hiervan voor appellanten onevenredig zouden zijn in vergelijking met de met die aanwijzing gediende belangen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Schortinghuis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

66-384.