Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200303954/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft het College Bescherming Persoonsgegevens (hierna: het CBP) afwijzend beslist op het door appellante gedane verzoek om openbaarmaking van de naam van het handelsinformatiebureau waarover de registratiekamer (de rechtsvoorganger van het CBP) verslag doet in de geanonimiseerde samenvatting van het onderzoeksrapport van juli 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 151 met annotatie van R. Kooper
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303954/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging “Nederlandse Vereniging van Handelsinformatiebureaus”, gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het College Bescherming Persoonsgegevens.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft het College Bescherming Persoonsgegevens (hierna: het CBP) afwijzend beslist op het door appellante gedane verzoek om openbaarmaking van de naam van het handelsinformatiebureau waarover de registratiekamer (de rechtsvoorganger van het CBP) verslag doet in de geanonimiseerde samenvatting van het onderzoeksrapport van juli 2001.

Bij besluit van 9 april 2002 heeft het CBP het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2003, verzonden op 9 mei 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 18 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2003 heeft appellante de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij brief van 5 augustus 2003 heeft het CBP van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. L.B. Sauerwein, advocaat te Amsterdam en mr. A. van Herk, voorzitter, en het CBP, vertegenwoordigd door mr. T.E. van Dijk, advocaat bij het CBP en mr. H.G. Kraai, medewerker van het CPB, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de op bezwaar gegeven beslissing vernietigd omdat het CBP de weigering de gevraagde informatie te verstrekken mede heeft gebaseerd op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob. Het hoger beroep richt zich niet tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak. Aan de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een deel van de motivering van de op bezwaar gegeven beslissing onjuist is en de vraag of dat oordeel tot vernietiging van de aangevallen uitspraak behoorde te leiden moet de Afdeling dan ook voorbijgaan. Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen. De rechtbank heeft hiertoe besloten omdat de resterende motivering van de weigering de gevraagde informatie te verstrekken, in het bijzonder de verwijzing naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, die na bezwaar gehandhaafde weigering kan dragen.

2.3. Het betoog van appellante dat het CBP de openbaarmaking van de naam van het handelsinformatiebureau niet kan weigeren nu die naam door het CBP bekend is gemaakt in een brief aan veertien zakelijke relaties van dat bureau, faalt.

Voornoemde brief is door het CBP verzonden binnen een beperkte kring en in het kader van de uitvoering van de aan het CBP wettelijk opgedragen taak ten aanzien van de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze informatieverstrekking behelst niet de openbaarmaking van informatie uit eigen beweging zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wob noch de openbaarmaking van informatie op verzoek met toepassing van de Wob. Derhalve heeft het CBP zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de naam van het handelsinformatiebureau anders dan op grond van de Wob bekend is gemaakt aan een beperkte kring van betrokkenen niet met zich brengt dat die informatie desverzocht voor een ieder beschikbaar dient te zijn.

2.4. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het algemene belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Derhalve kan ten aanzien van openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang van de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de te verrichten belangenafweging worden betrokken het algemene belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie en de relatieve weigeringsgrond waarop het CBP zich beroept. Aan het specifieke belang dat appellante heeft bij openbaarmaking van de naam kan bij voornoemde belangenafweging geen gewicht toekomen.

2.5. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het CBP bij voornoemde belangenafweging doorslaggevend gewicht had moeten toekennen aan het algemene belang van een ieder om te kunnen achterhalen welk handelsinformatiebureau onrechtmatig met persoonsgegevens is omgegaan, faalt.

In dit verband is van belang dat het betrokken handelsinformatiebureau opereert binnen een beperkte en concurrerende markt van handelsinformatiebureaus. Aannemelijk is dat de economische positie van het handelsinformatiebureau door openbaarmaking zal worden benadeeld. Gegeven voorts de bereidheid van het handelsinformatiebureau de aanbevelingen over te nemen en de bedrijfsvoering aan te passen - op welke bedrijfsvoering naar verklaring van het CBP na nacontrole ook geen kritiek meer bestaat - is de rechtbank met juistheid tot de slotsom gekomen dat het CBP zich heeft mogen beroepen op het in de Wob opgenomen belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden en een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van het handelsinformatiebureau dan aan het belang van openbaarmaking van de naam hiervan. Gelet op het voorgaande heeft het CBP terecht de afwijzing van het verzoek om openbaarmaking in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank is tot ditzelfde oordeel gekomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voorzover zij in hoger beroep is aangevochten en met verbetering van de gronden waarop deze berust, te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

45-450.