Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200305963/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland (hierna: het college) vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Noord-Beveland aan [vergunninghouder], verleend voor het innemen van een standplaats met een wagen, ingericht voor de verkoop van ijs, frisdranken, strandartikelen en snacks op in de vergunning bepaalde locaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305963/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 augustus 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland (hierna: het college) vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Noord-Beveland aan [vergunninghouder], verleend voor het innemen van een standplaats met een wagen, ingericht voor de verkoop van ijs, frisdranken, strandartikelen en snacks op in de vergunning bepaalde locaties.

Bij besluit van 4 januari 2002, verzonden aan appellant op 5 april 2002, heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 14 oktober 2003 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van appellant en dat bezwaar wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 7 november 2003 heeft de [vergunninghouder] van antwoord gediend.

Bij brieven van 24 november 2003 en 29 december 2003 heeft appellant gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar van 14 oktober 2003 (hierna: het besluit op bezwaar), nu hierbij niet aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.

2.2. Ten aanzien van de beslissing op bezwaar van 4 januari 2002 heeft de rechtbank vastgesteld dat daarin niets is vermeld over de vermeende schade van appellant. Vervolgens heeft de rechtbank, in aanmerking nemend dat het college ter zitting heeft verklaard dat geen onderzoek is verricht naar de eventuele schade van appellant, geconcludeerd dat ten onrechte niet is beoordeeld of deze eventuele schade voor rekening van appellant dient te blijven. Met inachtneming van het vorenstaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 4 januari 2002 onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd is.

2.3. Vooropgesteld dient te worden dat bij uitspraak van 5 juni 2002, in zaak no. 200103579/1 (www.raadvanstate.nl) het besluit van 4 augustus 1999, waarbij aan appellant een vergunning is geweigerd voor een standplaats op het strand ter hoogte van de plaatsen welke thans aan de [vergunninghouder] zijn vergund, in rechte onaantastbaar is geworden. Anders dan appellant kennelijk meent, kan hij met dit hoger beroep niet het alsnog verkrijgen van die vergunning bewerkstelligen. Hetgeen appellant daartoe heeft aangevoerd, faalt dan ook.

2.4. Het betoog van appellant dat erop neerkomt dat aan de [vergunninghouder] geen vergunning diende te worden verleend voor de hierboven onder 2.3 bedoelde plaats aangezien voor die locatie een vergunning aan appellant is geweigerd, faalt evenzeer.

Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de verplaatsing van de kiosk van de [vergunninghouder] in de richting van het gevaarlijke strandgedeelte bij de Oosterscheldedam juist ten behoeve van de veiligheid van badgasten is geschied. Waar in het betreffende gebied een voorziening geheel ontbrak, heeft het college getracht badgasten van het meest gevaarlijke strandgedeelte weg te trekken door het vergunnen van een standplaats op enige afstand van de dam.

Hetgeen voorts bij de weigering van de vergunning aan appellant opgeld heeft gedaan gold niet bij de verlening van de vergunning aan de [vergunninghouder]. De [vergunninghouder] beschikte, anders dan appellant, reeds over een vergunning voor een standplaats op het strand en daardoor maakte de verschuiving van zijn kiosk in de richting van de door appellant beoogde locatie geen inbreuk op het door het college gevoerde beleid, inhoudende dat in het desbetreffende gebied geen nieuwe standplaatsen meer mogen komen.

2.5. Met betrekking tot de beweerde schade heeft appellant, die standplaats inneemt op een parkeerterrein in de nabijheid van de onderhavige locatie, aangevoerd dat het, waar de rechtbank heeft vastgesteld dat hij schade heeft geleden op de weg van het college ligt de omvang daarvan vast te stellen.

2.6. Ook dit betoog van appellant faalt. Over de vraag of daadwerkelijk schade door appellant is geleden die niet voor zijn rekening dient te blijven, heeft de rechtbank niet geoordeeld; de rechtbank heeft slechts overwogen dat bij de bij haar ter toetsing voorliggende beslissing op bezwaar aan vermeende schade van appellant ten onrechte geen aandacht is geschonken.

In de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2003 heeft het college met juistheid overwogen dat appellant, ondanks het feit dat hij door het college is uitgenodigd dit te doen, geen enkele informatie heeft verschaft over zijn vermeende schade. Dat dit - zoals appellant heeft gesteld - niet mogelijk was vanwege de omzetstijging die is opgetreden in verband met het toenemend aantal toeristen/klanten als gevolg van de vestiging van een bungalowpark ter plaatse, is niet aannemelijk. Nu de gestelde schade ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar op 14 oktober 2003 in het geheel niet is onderbouwd, is er geen plaats voor het oordeel dat op het college een verdergaande onderzoeksplicht rustte.

2.7. Gezien het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat het college bij het nemen van het besluit van 14 oktober 2003 de aan de [vergunninghouder] verleende vergunning bij de beslissing op bezwaar niet redelijkerwijze heeft kunnen handhaven zonder het aanbieden van een schadevergoeding aan appellant.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep van appellant tegen het besluit van 14 oktober 2003 is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland van 14 oktober 2003 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

45-402.