Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200305734/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2003, kenmerk BE2V8690, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor het fokken, opkweken, africhten en stallen van paarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 14 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305734/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2003, kenmerk BE2V8690, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor het fokken, opkweken, africhten en stallen van paarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 14 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2004, waar appellant, in persoon en bijgestaan door ing. C.J.D. Leenaarts, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door J.B.J.M. Merkx, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, verschenen in persoon en bijgestaan door mr. M.A. de Boer, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellant heeft de gronden inzake visuele hinder en vliegenoverlast niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellant betoogt stankhinder te ondervinden als gevolg van de nieuw te realiseren mestopslag op een afstand van 30 meter van zijn woning.

2.3.1. Ter voorkoming dan wel beperking van stankhinder veroorzaakt door de opslag van vaste mest hanteert verweerder als uitgangspunt dat een afstand van 50 meter tot woningen van derden in acht moet worden genomen. Ondanks dat aan deze afstand niet wordt voldaan, acht verweerder vergunningverlening mogelijk omdat de afstand tussen de thans vergunde mestopslag en de dichtstbijgelegen woning van derden gelijk blijft aan de eerder vergunde situatie. Het bestreden besluit voorziet slechts in een verplaatsing van de mestopslag binnen de inrichting. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen de heersende windrichting in Nederland, waardoor de thans vergunde mestopslag ten opzichte van de dichtstbijgelegen woning gunstiger is gesitueerd, en de in voorschrift 6.12 neergelegde verplichting dat de vaste mest wekelijks uit de inrichting moet worden afgevoerd.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat in een situatie als de onderhavige waarbij niet aan de vereiste minimumafstand wordt voldaan, slechts een revisievergunning kan worden verleend, indien vaststaat dat de nieuwe situatie uit een oogpunt van stankhinder voor de directe omgeving geen nadeliger consequenties heeft. Onbetwist staat vast dat de mestopslag in de eerder vergunde situatie, waarop de oprichtingsvergunning van 25 januari 1994 betrekking heeft, is gelegen op een afstand van 30 meter van de dichtstbijgelegen woning van derden. De situering van de thans vergunde mestplaat is gewijzigd ten opzichte van de eerder vergunde situatie, waarbij de afstand tussen de mestopslag en bedoelde woning 30 meter blijft. Uit de stukken blijkt dat de thans vergunde mestopslag kleiner is, namelijk 4,00 bij 10,00 meter, dan de eerder vergunde mestopslag van 5,00 bij 10,00 meter. In de eerder vergunde mestopslag mocht een grotere hoeveelheid mest worden opgeslagen omdat in die vergunning over de duur van de opslag niets was bepaald. In de thans vergunde situatie is in voorschrift 6.12 voorgeschreven dat de mest wekelijks uit de inrichting moet worden afgevoerd. Een en ander heeft tot gevolg dat een kleinere hoeveelheid mest gedurende een kortere tijd in de inrichting aanwezig zal zijn, hetgeen uit een oogpunt van stankhinder een verbetering betekent. Verder is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting komen vast te staan dat de ligging van de thans vergunde opslag uit een oogpunt van de heersende windrichting gunstiger althans zeker niet ongunstiger is voor appellant. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor een toename van de stankhinder en dus een verslechtering van de situatie niet behoeft te worden gevreesd.

2.3.3. Ter zitting is van de zijde van verweerder betoogd dat, teneinde de mogelijke stankhinder als gevolg van de mestopslag nog verder te beperken, het wenselijk is voorschrift 6.11 aan te vullen met de verplichting dat de mestopslag moet zijn afgedekt met een zeildoek, behoudens tijdens het bijvullen en ledigen van de opslagplaats, en dat het zeildoek zodanig moet zijn aangebracht dat opvallend regenwater buiten de mestopslag blijft. Verweerder en vergunninghouder hebben de Afdeling verzocht met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en voorschrift 6.11 in dier voege te wijzigen.

Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit met de vereiste zorgvuldigheid moet worden genomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.4. Appellant betoogt dat het wekelijks leeg halen van de mestopslag als gevolg van extra transportbewegingen tot een toename van geluidhinder zal leiden.

2.4.1. In voorschrift 5.1 is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de dagperiode bepaald op 40 dB(A). In voorschrift 5.2 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tijdens het ledigen van de mestopslag met een vrachtwagen gedurende de dag 46 dB(A) mag bedragen. Deze uitzondering in voorschrift 5.2 is gebaseerd op een bestuurlijke afweging, aldus verweerder. Om aan de norm van 40 dB(A) te voldoen zou tussen de inrichting en de woning van appellant een scherm opgetrokken moeten worden met een lengte van 10 meter en een hoogte van 2,5 meter; dit wordt door verweerder te kostbaar geacht en kan volgens hem redelijkerwijs niet van vergunninghouder worden verlangd. Verder stelt verweerder dat het ophalen van mest plaatsvindt gedurende de meest gunstige periode, te weten de dagperiode, en slechts één maal per week

2.4.2. Verweerder heeft kennelijk voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) gehanteerd.

Paragraaf 5.3 van de Handreiking geeft in het kader van een bestuurlijke afweging de mogelijkheid van regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituaties met een beperkte frequentie van maximaal één dag-, avond- of nachtperiode per week. Daarbij zal het feit of er in die situaties sprake is van hinder en zo ja, in welke mate en in welke frequentie, een belangrijke rol spelen. De elementen die bij deze belangenafweging een rol moeten spelen zijn het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, de hoogte van het daarbij optredende geluidniveau, de noodzakelijkheid dan wel onvermijdelijkheid van de activiteit, de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het al dan niet vóórkomen van incidentele bedrijfssituaties. Het is daarbij gewenst de betreffende activiteit zo nauwkeurig mogelijk in de aanvraag te vermelden en in de vergunningvoorschriften vast te leggen.

Gezien het aantal vrachtwagenbewegingen, het tijdstip waarop deze plaatsvinden en de hoogte van de geluidimmissie die daarbij optreedt en nu dit duidelijk in de voorschriften is vastgelegd en in aanmerking genomen de noodzaak van de wekelijkse afvoer ter beperking van stankhinder en het ontbreken van redelijkerwijs te treffen maatregelen, oordeelt de Afdeling dat verweerder in redelijkheid voorschrift 5.2 aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Van onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het wekelijks legen van de mestopslag is dan ook geen sprake. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.5. Het beroep, voorzover ontvankelijk, is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat voorschrift 6.11 betreft. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voorzover appellant vergoeding van gemaakte kosten vraagt voor de door hem meegebrachte deskundige overweegt de Afdeling dat de kosten van deskundigen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een niet-juridische deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Daartoe dient in ieder geval een verband te bestaan tussen de ingeroepen deskundigheid en de specifieke vragen die in de procedure aan de orde zijn en die van invloed kunnen zijn op de uitkomst van het geschil. Dat is hier niet het geval. De Afdeling ziet daarom reden om in dit geval de gemaakte deskundigenkosten als zodanig niet in de proceskostenveroordeling te betrekken.

Voorzover appellant vergoeding van gemaakte kosten vraagt voor een deskundigenrapport overweegt de Afdeling dat niet gebleken is van een door een deskundige uitgebracht deskundigenrapport. Ook deze kosten komen derhalve niet in aanmerking voor vergoeding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake de visuele hinder en vliegenoverlast betreft;

II. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 25 juni 2003, kenmerk BE2V8690, voorzover het voorschrift 6.11 betreft;

IV. bepaalt dat het volgende voorschrift in de plaats treedt van het besluit voorzover het is vernietigd:

Voorschrift 6.11

Vaste mest, compost en organisch afval moet zijn opgeslagen op een mestdichte mestplaat, die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening. Op de mestplaat opgeslagen mest moet zijn afgedekt met een zeildoek, behoudens tijdens het bijvullen en ledigen van de opslagplaats; het zeildoek moet zodanig zijn aangebracht dat opvallend regenwater buiten de mestopslag blijft;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 41,38; het bedrag dient door de gemeente Bergen op Zoom te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Bergen op Zoom aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

159-460.