Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200300472/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 28 februari 2001 heeft appellant de verzoeken van [verzoekers] om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/179 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Ruimtelijke ordening 2004/1562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300472/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Alphen aan de Rijn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 december 2002 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te Alphen aan de Rijn

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 28 februari 2001 heeft appellant de verzoeken van [verzoekers] om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) afgewezen.

Bij besluit van 25 oktober 2001 heeft appellant, in overeenstemming met het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 29 juni 2001, het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2002, verzonden op 12 december 2002, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 februari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door K. Schoonderwoerd, ambtenaar bij de gemeente en mr. drs. C.M.L. van der Lee, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), en mr. R. Maat, gemachtigde van [verzoekers], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Door [verzoekers] is verzocht om vergoeding van de schade in de vorm van waardevermindering van hun woningen aan de [locaties], ten gevolge van de bepalingen van het bestemmingsplan “Centrum 1998” en van de vrijstellingsbesluiten ten behoeve van de realisering van kantoorbebouwing op de hoek van het Raoul Wallenbergplein en de Prins Bernhardlaan, door de nadelige invloed van de bebouwing op de situering van hun woningen, de privacy, het uitzicht en de zon- en lichttoetreding in de woningen. Ten aanzien van het pand [locatie] is tevens verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van de planning van de in- en uitrit van de parkeerkelder van het nieuwe stadhuis aan het Sint Jorisplein op korte afstand van dat perceel.

2.2. De woningen zijn gelegen ten oosten van de Prins Bernhardlaan, in een gebied begrensd door het Burgemeester Visserpark, de Stevinstraat, de Dr. Lovinklaan en het Sint Jorisplein, met in de zuid-westelijke hoek van het gebied het Raoul Wallenburgplein.

2.3. Het bestemmingsplan “Centrum 1998”, vastgesteld door de raad op 2 juli 1998, en - voor zover hier van belang - goedgekeurd door gedeputeerde staten op 5 februari 1999 en in werking getreden en onherroepelijk geworden op 24 augustus 1999, ziet op de hoek tussen de Prins Bernhardlaan, het Raoul Wallenbergplein en de Laan der Continenten, en voorziet onder meer in de bestemming “Kantoren-K” met een maximum bebouwingspercentage van 80% en een maximum bouwhoogte van 30 meter voor het zuidelijk deel en 15 meter voor het noordelijk deel en de mogelijkheid van een binnenplanse vrijstelling van de maten.

Voor de direct ten noorden, ten oosten en ten zuiden van de woningen van [verzoekers] gelegen percelen geldt een woonbestemming, krachtens welke aaneengesloten, vrijstaande of half vrijstaande bebouwing in maximaal twee bouwlagen is toegestaan. Een smalle strook grond ten zuiden van de [locatie] heeft de bestemming “verblijfsdoeleinden” gekregen en de gronden direct zuidelijk daarvan de bestemming “verkeersdoeleinden”. Hierop is de hiervoor genoemde in- en uitrit geprojecteerd.

2.4. Op 3 maart 1999 zijn met toepassing van artikel 19 van de WRO en artikel 50, vijfde lid, Woningwet een vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de oprichting van een kantoor ten westen van de Prins Bernhardlaan, met een lengte van 37,5 m en hoogte van 14,43 m, welk besluit op 14 april 1999 rechtskracht heeft verkregen.

Bij besluit van 16 april 1999 zijn op dezelfde voet een vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een boogvormig kantoorgebouw van Wereldhave aan het Raoul Wallenbergplein met een hoogte van 34,5 m, welk besluit op 28 mei 1999 rechtskracht heeft verkregen.

2.5. Op basis van het voorheen ter plaatse vigerende “Uitbreidingsplan in onderdelen West”, dat is vastgesteld door de raad op 28 augustus 1959 en door gedeputeerde staten goedgekeurd op 1 augustus 1960, hadden de bouwlocatie en de grond ten zuiden van de [locatie] de bestemming “Openbaar groen of plantsoen”, op grond waarvan enige bebouwing van beperkte omvang was toegestaan, die qua aard aansloot bij de bestemming. Op de direct ten noorden, ten oosten en ten zuiden van verzoekers gelegen percelen gold geen bestemmingsplan, zodat deze percelen op grond van de ter plaatse vigerende gemeentelijke bouwverordening in beginsel van drie kanten konden worden ingebouwd met tot 15 m hoge gebouwen ten behoeve van diverse functies.

Bij besluit van 2 oktober 1990 zijn een vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een hotel/theatercomplex op het Raoul Wallenbergplein, met een hotel van 12 m lang en 20 m hoog, en een toneeltoren aan de Prins Bernhardlaan van 18 m lang en 25 m hoog. Aan dit besluit is geen uitvoering gegeven.

2.6. Appellant heeft het planschadeverzoek van [verzoekers] afgewezen op de grond, dat het nieuwe planologische regime niet tot een nadeliger positie voor betrokkenen heeft geleid, zodat geen sprake is van schade in de zin van artikel 49 van de WRO. Hij heeft deze afwijzing bij de beslissing op bezwaar gehandhaafd.

2.7. Appellant heeft allereerst het oordeel van de rechtbank betwist dat hij bij zijn besluitvorming een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, door daarbij geen zelfstandige betekenis toe te kennen aan de vrijstellingsbesluiten van 3 maart 1999 en 16 april 1999.

2.8. De vrijstellingsbesluiten zijn genomen vooruitlopend op het ten tijde van het nemen van die besluiten in ontwikkeling zijnde bestemmingsplan “Centrum 1998”, waarin de oprichting van de door [verzoekers] gewraakte hoge bebouwing reeds was voorzien en planologisch was afgewogen. De vrijstellingen zijn uitsluitend verleend om een formeel geldend bouwverbod te doorbreken.

Het bestemmingsplan was ten tijde van de indiening van het verzoek reeds in werking getreden en is enkele maanden daarna, zijnde ruim voor de primaire beslissing op het verzoek, onherroepelijk geworden.

De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat, onder deze omstandigheden, appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vrijstellingsbesluiten zo nauw verweven zijn met het bestemmingsplan “Centrum 1998”, dat de door deze besluiten veroorzaakte nadelen en voordelen geacht moeten worden voort te vloeien uit hetzelfde planologische regime.

2.9. Appellant betwist niet dat, vergeleken met het voorheen geldende regime, een nadeliger situatie is gecreëerd door de hogere kantoorbebouwing aan de overzijde van de Dr. Lovinklaan en de Prins Bernhardlaan, en voor het pand [locatie] tevens door de ter plaatse gelegde bestemming verkeersdoeleinden.

2.10. Hij heeft echter aangevoerd, dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van de verzoeken om planschade tevens moet worden betrokken de - voor betrokkenen positieve - beperking in het bestemmingsplan van de onder de bouwverordening bestaande bebouwings- en gebruiksmogelijkheden op korte afstand ten noorden en ten oosten van het pand [locatie] en voor de overige woningen ook aan de zuidzijde.

[verzoekers] kunnen zich vinden in het standpunt van appellant dat, indien in dit geval van compensatie van voor- en nadelen van de planologische maatregelen mag worden uitgegaan, zich voor hen per saldo geen planologisch nadeliger situatie voordoet. Zij zijn echter van mening dat genoemde bebouwingsbeperking uit het bestemmingsplan daarbij buiten beschouwing moet blijven, nu verwezenlijking van die bebouwing niet tot de reële mogelijkheden kan worden gerekend, aangezien de gronden rond de percelen van [verzoekers] aan de Lovinklaan al sinds lange tijd bebouwd zijn met woningen.

2.11. Voorop staat dat in het kader van de bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding uit te voeren planvergelijking, van de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe regime dient te worden uitgegaan. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan daarvan worden afgeweken. Nu niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uit te sluiten dat, onder het regime van de gemeentelijke bouwverordening, de ter plaatse bestaande woningen zouden zijn uitgebouwd tot, of aangevuld met bebouwing van 15 meter hoog, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de realisatie hiervan niet behoorde tot de maximale mogelijkheden van het desbetreffende regime.

Appellant heeft deze planologische mogelijkheid dan ook terecht bij zijn besluitvorming betrokken en de rechtbank heeft mitsdien ook op dit punt ten onrechte geoordeeld dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2002, reg.nr. AWB 02/87 WET;

III. verklaart het bij de rechtbank ingesteld beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, mr. E.A. Alkema, en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Zijlstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

240.