Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200300197/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 22 november 1999 heeft de doctoraal examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam (hierna: de Examencommissie) – voorzover hier van belang – aangegeven dat van een aantal van de door appellant behaalde tentamens de geldigheidsduur is verlengd en dat een aantal tentamens is vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300197/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij brief van 22 november 1999 heeft de doctoraal examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam (hierna: de Examencommissie) – voorzover hier van belang – aangegeven dat van een aantal van de door appellant behaalde tentamens de geldigheidsduur is verlengd en dat een aantal tentamens is vervallen.

Bij besluit van 30 augustus 2000 heeft de Examencommissie het verzoek van appellant van 12 juli 2000 om (verdere) verlenging van reeds vervallen of nog te vervallen tentamens afgewezen.

Bij besluit van 9 februari 2001 heeft het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het College van Beroep) het daartegen door appellant ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 7 januari 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 februari 2003. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2003 heeft het College van Beroep van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W. Brussee, advocaat te Den Haag, en het College van Beroep, vertegenwoordigd door mr. P.M.C. Berkhoff, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7.13, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.

Ingevolge artikel 7.13, tweede lid, aanhef en onder k, van de WHW worden in deze onderwijs- en examenregeling, onverminderd het overigens in deze wet terzake bepaalde, ten minste geregeld: waar nodig, de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur te verlengen.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Onderwijs- en Examenregeling van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam (hierna: de OER), voorzover hier van belang, hebben onderdelen van een doctoraal examen waarvoor een student is geslaagd, een geldigheidsduur van tien jaar.

Ingevolge artikel 24, vierde lid, van de OER, voorzover hier van belang, kan de bevoegde examencommissie de geldigheidstermijn van met goed gevolg afgelegde tentamens op verzoek van een student met een of meer jaren verlengen.

Ingevolge artikel 35 van de OER is de examencommissie bevoegd tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de onderwijs- en examenregeling mochten voordoen.

2.2. Het geschil in hoger beroep beperkt zich tot de tentamens handelsrecht/ondernemingsrecht, burgerlijk procesrecht en arbeidsrecht (hierna: de drie tentamens) waarover in de door de secretaris van de Examencommissie ondertekende brief van 22 november 1999 is vermeld dat de geldigheidsduur ervan is vervallen.

2.3. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het College van Beroep deze brief, (ook) voorzover genoemde vermelding erin is opgenomen, terecht als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft aangemerkt, en dat het College van Beroep, gelet daarop, het besluit van 30 augustus 2000, waarbij de geldigheidsduur van de drie tentamens niet is verlengd, terecht marginaal heeft getoetst omdat geen sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden die zich na 22 november 1999 hebben voorgedaan.

2.4. Appellant stelt zich op het standpunt dat de brief van 22 november 1999, voorzover hij betrekking heeft op de drie tentamens, niet kan worden aangemerkt als besluit, omdat de brief met betrekking tot deze tentamens niet is gericht op rechtsgevolg, maar de feitelijke constatering van de vervallenverklaring ervan bevat. Gelet hierop had volgens appellant zijn brief van 12 juli 2000 niet moeten worden aangemerkt als een verzoek om heroverweging van een reeds in rechte onaantastbaar geworden besluit, maar als een eerste verzoek om verlenging, en had het College van Beroep zich dientengevolge niet moeten beperken tot een marginale toetsing.

2.5. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de OER was de geldigheidsduur van de drie tentamens – die door appellant in respectievelijk 1987, 1986 en 1988 zijn behaald – op 22 november 1999 reeds van rechtswege vervallen. De brief van 22 november 1999 moet, voorzover hij betrekking heeft op deze drie tentamens, worden aangemerkt als een mededeling van feitelijke aard die rechtsgevolg mist. Gelet daarop hebben de Examencommissie en het College van Beroep de brief van appellant van 12 juli 2000, waarin deze verzoekt de regel omtrent de geldigheidsduur uit de OER met betrekking tot de drie tentamens niet toe te passen, omdat dit in zijn geval van onevenredige hardheid zou zijn, en de vervallen tentamens alsnog geldig te verklaren, ten onrechte aangemerkt als een verzoek om een in rechte onaantastbaar geworden besluit te herzien. Het College van Beroep heeft zich mitsdien ten onrechte op het standpunt gesteld dat het de weigering van de Examencommissie om terug te komen van het in de brief van 22 november 1999 gestelde met betrekking tot de drie tentamens, slechts marginaal moest toetsen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant kan in zoverre worden gevolgd. Echter, noch de OER noch de WHW verleent de Examencommissie de bevoegdheid de geldigheid van reeds vervallen tentamens te doen herleven. Gelet hierop mist de hardheidsclausule uit artikel 35 van de OER – wat er zij van de in dat kader door appellant aangevoerde omstandigheden – toepassing. Dit artikel strekt er immers slechts toe de Examencommissie de mogelijkheid te geven tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich mochten voordoen bij de toepassing van de haar ingevolgde de OER reeds toegekende bevoegdheden. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op andere gronden, geoordeeld dat het beroep van appellant op de hardheidsclausule hem niet kan baten en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College van Beroep heeft, hoewel op onjuiste gronden, het administratief beroep van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2000 terecht ongegrond verklaard.

2.6. Gezien het bovenstaande behoeft hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd. Gelet hierop komt het verzoek van appellant om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht niet voor inwilliging in aanmerking.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

18-413.