Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO7097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2004
Datum publicatie
07-04-2004
Zaaknummer
200305430/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2002 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 november 2002, het bestemmingsplan "Het Fort/Zeekant" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305430/1.

Datum uitspraak: 7 april 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Bergen op Zoom,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2002 heeft de gemeenteraad van Bergen op Zoom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 5 november 2002, het bestemmingsplan "Het Fort/Zeekant" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 juli 2003, no. 887758, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. C. Lubben, gemachtigde,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Bergen op Zoom, vertegenwoordigd door drs. E.P.A.M. Kleverwal-Weterings, ambtenaar van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor de wijken Het Fort, Zeekant en het Glacis afgestemd op de feitelijke situatie. Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voorzover het betreft de wijze waarop zijn gronden zijn bestemd. Hij voert daartoe aan dat de bedrijfsvoering van zijn fietsenhandel aan de [locatie] ernstig wordt beperkt nu hij zijn bedrijfsgebouw niet kan uitbreiden omdat een deel van het hoofdgebouw valt onder de aanduiding “erf (e)”. Voorts is appellant van mening dat zijn perceel op de plankaart ten onrechte met 10 meter is verkleind ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein van de achterliggende supermarkt. Ten slotte heeft appellant concrete uitbreidingsplannen voor zowel het bedrijfsgebouw als zijn woning. Aansluitend aan het bedrijfsgebouw wil appellant een opslagruimte voor vuurwerk bouwen. Het college van burgemeester en wethouders heeft appellant voor deze opslag op 10 december 2002 een milieuvergunning verleend.

2.4. De gemeenteraad heeft opgemerkt dat de bouwvlakken op de plankaart een standaarddiepte hebben, hetgeen is gebaseerd op de methodiek van het plan. Ten aanzien van de uitbreiding van het parkeerterrein van de supermarkt voert de gemeenteraad aan dat hij het plan gewijzigd heeft vastgesteld in de veronderstelling dat de onderhandelingen betreffende de verkoop van de gronden voor dat doel van onder meer het deel van het perceel van appellant, afgerond waren.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de bestaande situatie in het plan is gerespecteerd en als zodanig positief is bestemd. Voorts acht verweerder het streven van de gemeenteraad om uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing aan de Antwerpsestraatweg te beperken met het oog op de omliggende woonbebouwing, niet onredelijk. De bedenking ten aanzien van de verkleining van het perceel van appellant heeft verweerder buiten beschouwing gelaten. Ten slotte zijn er volgens verweerder geen concrete uitbreidingsplannen.

2.6. Het perceel van appellant heeft een diepte van ongeveer 65 meter. Het bestaande hoofdgebouw heeft een diepte van 33 meter. Ter zitting is gebleken dat het hoofdgebouw ongeveer 100 jaar oud is en destijds als één geheel is gebouwd. Op het achter dit hoofdgebouw gelegen perceelsgedeelte staat deels een overkapping.

De gronden van appellant hebben volgens het plan de bestemming “Gemengde doeleinden -Gd-” met gedeeltelijk de aanduiding “erf (e)”, terwijl het achterste deel met een diepte van 10 meter de bestemming “Parkeervoorzieningen -Vw(p)-“ heeft. Ingevolge artikel 12, lid 3.1, onder a, van de planvoorschriften zijn hoofdgebouwen op de gronden met de bestemming “Gemengde doeleinden -Gd-” uitsluitend toegestaan binnen het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak. Ingevolge artikel 12, lid 3.1, onder e, aanhef en sub 1, mogen op het perceelsgedeelte waaraan de aanduiding “erf (e)” is gegeven, bijgebouwen en aanbouwen worden opgericht, waarbij de bebouwde oppervlakte van het perceelsgedeelte niet meer dan 50% mag bedragen en tot een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 50 m2. Blijkens de plankaart is het bebouwingsvlak van het perceel van appellant, net als van alle andere percelen aan de Antwerpsestraatweg, 12 meter diep.

2.6.1. Verweerder heeft de bedenking van appellant met betrekking tot de verkleining van zijn perceel ten behoeve van het parkeerterrein buiten beschouwing gelaten omdat deze buiten de termijn van terinzagelegging is ingekomen. Bovendien is verweerder van mening dat deze bedenking een totaal andere strekking heeft dan de reeds ingediende bedenking, zodat deze geen beantwoording behoefde.

De Afdeling is van oordeel dat deze bedenking van appellant zodanig samenhangt met de eerder ingediende bedenking inzake de onmogelijkheid om op het perceel verder uit te breiden, dat dit als nader argument had moeten worden aangemerkt en derhalve niet buiten beschouwing had mogen worden gelaten. In verband hiermede en nu verweerder de inhoud van de bedenking ook anderszins niet heeft behandeld, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover dat betrekking heeft op de gronden van appellant met de bestemming “Parkeervoorzieningen -Vw(p)-“ wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

De Afdeling stelt, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, vast dat het perceelsgedeelte waaraan de bestemming “Parkeervoorzieningen -Vw(p)-“ is toegekend, niet is verkocht. Uit de stukken blijkt dat het gemeentebestuur evenmin voornemens is dit te onteigenen. Gelet op het voorgaande is de verwachting dat de bestemming, zonder medewerking van appellant, niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd.

2.6.2. De Afdeling stelt voorts vast dat het bestaande hoofdgebouw van appellant tweemaal zo groot is als het toegekende bouwvlak. Het deel van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak telt als bijgebouw of aanbouw mee voor het berekenen van het bebouwingspercentage van de overige gronden. Als gevolg van deze wijze van bestemmen valt meer dan de helft van het bestaande hoofdgebouw van appellant, alsmede een deel van de overige bebouwing op zijn gronden, onder het overgangsrecht.

Ter zitting heeft verweerder betoogd dat het desbetreffende gedeelte van het hoofdgebouw niet onder het overgangsrecht valt, maar op grond van artikel 12, lid 3.1, onder e, laatste volzin, van de planvoorschriften positief is bestemd. De Afdeling overweegt dat dit artikellid alleen spreekt over op het moment van terinzagelegging aanwezige bijgebouwen en/of aanbouwen met een afwijkende maatvoering. Hiermee wordt echter niet bewerkstelligd dat een hoofdgebouw met een grotere oppervlakte dan het toegekende bouwvlak in zijn geheel als hoofdgebouw wordt bestemd.

De Afdeling stelt eveneens vast dat door deze wijze van bestemmen geen enkele uitbreiding van de bebouwing op het perceel van appellant is toegestaan, nu de maximale bouwoppervlakte is bereikt.

De Afdeling is van oordeel dat het op deze wijze bepalen van bebouwingsvlakken niet overeenkomt met het uitgangspunt van het plan dat beoogt de bestaande situatie vast te leggen. Er bestaat voorts niet de intentie om de bestaande bebouwing, voorzover die onder het overgangsrecht valt, in overeenstemming te brengen met het plan.

Voorzover verweerder zich achter het standpunt van de gemeenteraad heeft gesteld dat ter bescherming van de woonfunctie in het gebied elke uitbreiding van de bebouwing op appellants perceel moet worden verboden, merkt de Afdeling op dat niet is gebleken dat door de beoogde aanbouw de woonfunctie wordt geschaad.

Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de gevolgen van de wijze van bestemmen van appellants gronden voor appellant zo vergaand zijn, dat verweerder hieraan bij de afweging van de verschillende belangen onvoldoende gewicht heeft toegekend.

2.6.3. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat appellant, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, blijkens de stukken concrete bouwplannen heeft ingediend voor de bouw van een opslagruimte voor vuurwerk. Verweerder heeft daar ten onrechte geen aandacht aan besteed. Ook in zoverre is het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen. Voorzover ter zitting door de woordvoerder van de gemeente is betoogd dat omwonenden bezwaren hebben tegen de beoogde vuurwerkopslag op het terrein van appellant, overweegt de Afdeling dat de milieuvergunning inmiddels onherroepelijk is en destijds geen aanleiding heeft gegeven tot het indienen van bedenkingen door deze omwonenden.

2.7. Gezien overweging 2.6.3. is het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op de gronden van appellant met de bestemming “Gemengde doeleinden -Gd-“ met de aanduiding “erf (e)”, ook genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder zich voorts niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft het genoemde plandeel met de bestemming “Gemengde doeleinden -Gd-“ met de aanduiding “erf (e)” en het genoemde plandeel met de bestemming “Parkeervoorzieningen -Vw(p)-“ niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, tevens heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit ook om deze reden dient te worden vernietigd voorzover het betreft de goedkeuring van de bovengenoemde plandelen zoals nader aangeduid op de bij de uitspraak behorende gewaarmerkte kaart.

Nu er rechtens nog maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling eveneens aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan beide genoemde plandelen.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 15 juli 2003, no. 887758, voorzover het betreft de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden -Gd-" met de aanduiding "erf (e)” en het plandeel met de bestemming "Parkeervoorzieningen -Vw(p)-" zoals nader aangeduid op de bij de uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II genoemde plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder II genoemde besluit voorzover dit is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 670,21, waarvan een bedrag groot

€ 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2004

234-461.