Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2004
Datum publicatie
30-03-2004
Zaaknummer
200400727/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2003, kenmerk 1759(03)/MPM4023 heeft verweerder de door verzoekster krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gedane melding inzake de verandering van haar inrichting op het perceel Langenhorsterweg 6 te Hof van Twente, kadastraal bekend gemeente Hof van Twente, sectie I, nummer 1595, geweigerd te accepteren.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 december 2003, kenmerk 2585(03), verzonden op 19 december 2003, heeft verweerder het besluit van 1 april 2003 herroepen en zich onbevoegd verklaard om over de acceptatie van de melding te beslissen. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de melding doorgezonden aan het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400727/2.

Datum uitspraak: 25 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BM Vastgoed B.V.", gevestigd te Otterlo,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2003, kenmerk 1759(03)/MPM4023 heeft verweerder de door verzoekster krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gedane melding inzake de verandering van haar inrichting op het perceel Langenhorsterweg 6 te Hof van Twente, kadastraal bekend gemeente Hof van Twente, sectie I, nummer 1595, geweigerd te accepteren.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 december 2003, kenmerk 2585(03), verzonden op 19 december 2003, heeft verweerder het besluit van 1 april 2003 herroepen en zich onbevoegd verklaard om over de acceptatie van de melding te beslissen. Verweerder heeft met toepassing van artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de melding doorgezonden aan het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 23 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 februari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door B. Mets, mr. E. Harkink en ir. J.P.A.M. Kerkhof, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door R. Hazenkamp, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar het college van gedeputeerde staten van Overijssel, vertegenwoordigd door mr. R.M. van Dijk-Prakken, ambtenaar van de provincie, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij besluit van 11 december 2001 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Kleencare B.V.” te Hof van Twente een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het ontwikkelen, fabriceren, opslaan en verkopen van reinigingsmiddelen en desinfecteermiddelen. Op deze locatie is thans de inrichting van verzoekster gevestigd. Binnen de inrichting wil verzoekster veranderingen doorvoeren ten opzichte van de activiteiten die door Kleencare B.V. werden ontplooid. Verzoekster heeft de veranderingen gemeld aan verweerder. De nieuwe activiteiten bestaan onder meer uit de bewerking van van buiten de inrichting afkomstige resten PET tot een her te gebruiken kunststof.

2.3. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.4. Aan de orde is de vraag of verweerder zich terecht onbevoegd heeft verklaard om over de acceptatie van de melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer te beslissen. In dit kader is naar het oordeel van de Voorzitter van belang dat beoordeeld moet worden of de gemelde veranderingen blijven binnen de door de vergunning toegestane milieugevolgen en dat zij niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend. Nu de voor de inrichting geldende vergunning is verleend door verweerder, is de Voorzitter van oordeel dat hij bevoegd is om te beslissen over de acceptatie van de door verzoekster gedane melding. De Voorzitter ziet in de tekst noch in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer grondslag voor een andersluidend oordeel. Dat het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag is om handhavend op te treden ingeval vergunninghoudster activiteiten ontplooit ten aanzien waarvan dit college bevoegd is te beslissen of hiervoor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter ten onrechte onbevoegd verklaard om over de acceptatie van de melding te beslissen. De Voorzitter ziet dan ook aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 16 december 2003, kenmerk 2585(03);

II. gelast dat de gemeente Hof van Twente aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2004

255-441.