Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200306929/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2003, kenmerk LGM/936765, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het sorteren en het breken van respectievelijk 20.000 ton en 25.000 ton bouw- en sloopafval, de op- en overslag van 35.000 ton grond, het zeven van 20.000 ton zand en grond alsmede de overslag van 5.000 ton asbesthoudend bouw- en sloopafval op jaarbasis, gelegen op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 september 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306929/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2003, kenmerk LGM/936765, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het sorteren en het breken van respectievelijk 20.000 ton en 25.000 ton bouw- en sloopafval, de op- en overslag van 35.000 ton grond, het zeven van 20.000 ton zand en grond alsmede de overslag van 5.000 ton asbesthoudend bouw- en sloopafval op jaarbasis, gelegen op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 september 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2003, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.A. Fasting, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door P.W.J.M. Corvers en drs. E.T.M. Hubers, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellant voert aan dat de geluidvoorschriften niet kunnen worden nageleefd, omdat het voor de naleving van deze voorschriften noodzakelijke geluidscherm niet is aangevraagd noch in een voorschrift is voorgeschreven. Volgens appellant is het geluidscherm niet aangevraagd, omdat de akoestische rapporten van 6 september 2002 en 29 november 2002 niet zijn gericht aan verweerder waardoor ze niet kunnen worden aangemerkt als aanvullingen op de aanvraag en bovendien in beide is vermeld dat het plaatsen van een geluidscherm redelijkerwijs niet van vergunninghoudster kan worden gevergd. Voorzover verweerder heeft beoogd vergunning te verlenen voor het geluidscherm is volgens appellant de grondslag van de aanvraag verlaten. Tot slot voert hij aan dat onduidelijk is welke voorziening is vergund, nu in het bestreden besluit geen keuze is gemaakt tussen de twee soorten geluidschermen die in de akoestische rapporten zijn genoemd.

2.3. Verweerder stelt zich blijkens de considerans van het bestreden besluit op het standpunt dat het noodzakelijk is om geluidbeperkende voorzieningen te treffen om de geluidvoorschriften te kunnen naleven bij het gebruik van de puinbreker. Volgens hem valt het in werking zijn van de puinbreker onder de representatieve bedrijfssituatie, zodat het treffen van geluidbeperkende voorzieningen in de vorm van het plaatsen van een geluidscherm redelijkerwijs van vergunninghoudster kan worden gevergd. Bij het opstellen van de voorschriften heeft hij daarom rekening gehouden met de aanwezigheid van deze voorziening.

2.4. De Afdeling stelt vast dat verweerder bij brief van 12 augustus 2002 vergunninghoudster heeft verzocht de aanvraag onder meer aan te vullen met een verdere uitwerking van het van de aanvraag deel uitmakende akoestisch rapport van Cauberg-Huygen, kenmerk 2000.0889-3, van 12 oktober 2001, waarbij verweerder te kennen heeft gegeven dat onderzoek moest worden ingesteld naar geluidbeperkende voorzieningen waarmee de geluidbelasting vanwege de inrichting tot 45 dB(A) zou kunnen worden verminderd. Bij brief van 10 september 2002 zijn aan verweerder de gevraagde gegevens verstrekt door een aanvullend akoestisch onderzoek van Cauberg-Huygen, kenmerk 2002.0385, van 6 september 2002. In dit rapport is vermeld dat de geluidbelasting vanwege de inrichting bij de dichtstbijzijnde woningen ten hoogste 45 dB(A) zal bedragen, indien een geluidscherm van ongeveer 50 meter lang en minimaal 4 meter hoog wordt geplaatst. Bij het akoestisch rapport van 29 november 2002, ingekomen bij verweerder op 3 januari 2003, is het akoestisch rapport van 6 september 2002 aangevuld. Hierin is vermeld dat de afscherming kan worden gerealiseerd door middel van een scherm met een massa van minimaal 10 kg/m2 of een scherm met zeecontainers. De akoestisch rapporten van 6 september 2002 en van 29 november 2002 moeten naar het oordeel van de Afdeling worden beschouwd als aanvullingen van de aanvraag. Het geluidscherm is derhalve aangevraagd, zodat de grondslag van de aanvraag in zoverre reeds hierom niet is verlaten. Dat in de akoestisch rapporten is vermeld dat deze voorziening niet van vergunninghoudster kan worden gevergd, maakt het vorenstaande niet anders, nu een beoordeling of maatregelen en voorzieningen redelijkerwijs van vergunninghoudster kunnen worden gevergd is voorbehouden aan verweerder.

Blijkens het dictum van het bestreden besluit maakt de bij dit besluit behorende gewaarmerkte aanvraag deel uit van dit besluit. De Afdeling stelt vast dat onder meer het akoestisch rapport van 29 november 2002 is gewaarmerkt en zodoende deel uitmaakt van het bestreden besluit. Vergunninghoudster is derhalve gehouden de geluidbeperkende voorziening te treffen.

Blijkens het akoestisch rapport van 29 november 2002 kunnen met een geluidscherm de gestelde geluidgrenswaarden op de woningen en bedrijfswoningen worden nageleefd. Uit de omstandigheid dat in dit rapport zowel een scherm met een massa van minimaal 10 kg/m2 als een scherm met zeecontainers zijn vermeld maakt de Afdeling, mede gelet op het verhandelde ter zitting, op dat de grenswaarden met beide schermen kunnen worden nageleefd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze bevindingen onjuist zijn. Gelet hierop maakt de omstandigheid dat in het bestreden besluit geen keuze is gemaakt met betrekking tot de aard van het scherm niet dat het besluit op dit punt in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Noch volgt uit het voorgaande dat de aangevraagde revisievergunning impliciet is geweigerd.

2.5. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

255-372.