Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200306781/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2003, kenmerk 28/2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij met verhuur van recreatiewoningen op het perceel [locatie] te Voorthuizen, kadastraal bekend gemeente Voorthuizen, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 12 september 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306781/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Voorthuizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2003, kenmerk 28/2003, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij met verhuur van recreatiewoningen op het perceel [locatie] te Voorthuizen, kadastraal bekend gemeente Voorthuizen, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 12 september 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.A.M. Bellomo, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de gronden inzake het vergunde aantal mestvarkeneenheden en de ligging van de inrichting in een kwetsbaar gebied niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante heeft gesteld dat de afstand tussen de vergunde mestplaat en haar woning aan de [locatie] kleiner is dan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter. Voorts heeft zij gesteld dat zij als gevolg van de mestplaat stankoverlast, overlast van vliegen en muggen en visuele hinder ondervindt.

2.3.1. Verweerder heeft gesteld dat voldaan wordt aan de ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder minimaal aan te houden afstand tussen de mestplaat en de dichtstbijgelegen woning van derden, de woning van appellante aan de [locatie]. Voorts heeft hij erop gewezen dat aan de vergunning voorschriften zijn verbonden ter voorkoming van overlast door de opslag van mest op de mestplaat. Zo moet ingevolge voorschrift 1.1.3 het aantrekken van ongedierte zoveel mogelijk worden voorkomen en moet, zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, doelmatige bestrijding van ongedierte plaatsvinden. Voorts mag de opslag van de mest op de mestplaat ingevolge voorschrift 5.4.2 niet hoger zijn dan 1,5 meter.

2.3.2. Blijkens de aanvraag en de bijbehorende tekeningen, welke deel uitmaken van de vergunning, en het verhandelde ter zitting, bedraagt de afstand tussen appellantes woning aan de [locatie] en de mestplaat 54 meter. Derhalve is voldaan aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter. Gelet hierop en in aanmerking genomen het bepaalde in voorschrift 1.1.3 heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor de door appellante bedoelde overlast als gevolg van de opslag van mest op de mestplaat niet behoeft te worden gevreesd.

2.3.3. De vraag of zich visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de genoemde afstand van

54 meter tussen de mestplaat en appellantes woning en in aanmerking genomen het bepaalde in voorschrift 5.4.2 is de Afdeling echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanige visuele hinder voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften.

2.4. Appellante heeft gesteld dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet kan slagen.

2.5. Voorzover appellante nog heeft betoogd dat de werkelijke ligging van de mestplaat niet overeenstemt met de vergunde ligging, wijst de Afdeling erop dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van naleving van de vergunning.

2.6. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake het vergunde aantal mestvarkeneenheden en de ligging van de inrichting in een kwetsbaar gebied betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd,

Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

159-431.