Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200306297/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 oktober 2000, het bestemmingsplan "Nieuw Oosteinde" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/25
OGR-Updates.nl 100722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306297/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Aalsmeer,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 oktober 2000, het bestemmingsplan "Nieuw Oosteinde" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 mei 2001, kenmerk 2000-43306, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Dit besluit is gedeeltelijk vernietigd door de Afdeling bij uitspraak van

19 februari 2003, no. 200103151/1 (zie www.raadvanstate.nl).

Verweerder heeft vervolgens bij zijn besluit van 8 juli 2003, kenmerk 2003-6876, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2004, waar appellanten, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. F. Arents, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de raad van de gemeente Aalsmeer daar gehoord, vertegenwoordigd door

mr. H.S. Weeda, gemachtigde en ing. L.J.A. Evers en ing. L. van de Craats, beiden ambtenaar van de gemeente.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn nog stukken ontvangen van de raad van de gemeente Aalsmeer. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plangebied ligt in de Oosteinderpoelpolder ten noordoosten van de kern Aalsmeer. Met het plan wordt onder meer beoogd de bouw van ten hoogste 1300 woningen in drie deelgebieden mogelijk te maken.

2.3. Voorzover appellanten aanvoeren dat de gemeenteraad nog geen passende bestemming heeft toegekend aan het perceel [locatie], overweegt de Afdeling dat dit bezwaar niet in deze procedure behandeld kan worden. Verweerder heeft terecht gesteld dat het nieuwe goedkeuringsbesluit geen betrekking kan hebben op een plandeel waaraan de Afdeling zelfvoorziend goedkeuring heeft onthouden. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Appellanten stellen in beroep voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften. Zij voeren in dit verband aan dat de motivering ontbreekt voor het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht zonder een onderscheid tussen de verschillende vormen van gebruik.

2.4.1. Verweerder heeft geen reden gezien het bestreden voorschrift in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft het voorschrift goedgekeurd. Hij heeft overwogen dat het plan betrekking heeft op een groot glastuinbouwgebied, waarin over een langere termijn ingrijpende wijzigingen zullen plaatsvinden, aangezien in het gebied woningbouw is voorzien. Hij acht het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht gerechtvaardigd, aangezien het, mede gelet op de termijn waarbinnen de wijzigingen zullen plaatsvinden, noodzakelijk is voortgezet strijdig gebruik door nieuwe gebruikers te beperken.

2.4.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 februari 2003 het volgende overwogen:

“De Afdeling stelt vast dat in artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften zogenoemd persoonsgebonden overgangsrecht is opgenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling is het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht niet in alle omstandigheden ongeoorloofd.

Voor een dergelijke beperking betreffende de reikwijdte van het overgangsrecht dienen evenwel redenen te bestaan die zijn toegespitst op de omstandigheden van het geval.

Overwegingen die daarbij een rol kunnen spelen, kunnen verband houden met de aard van het gebruik dat op grond van het overgangsrecht mag worden gemaakt, met de omstandigheid dat een bepaalde vorm van gebruik in het verleden op illegale wijze is ontstaan en met de vraag welk nadeel de beperking van het overgangsrecht voor de gebruiker met zich brengt. Dit leidt ertoe dat een beperking van het overgangsrecht tot de persoon van de gebruiker op de peildatum niet zonder meer kan gelden voor alle vormen van gebruik waarop het overgangsrecht van toepassing is, maar dat hierbij onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende vormen van gebruik.

In dit geval geldt het in artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht voor het gehele plangebied, zonder dat hierbij onderscheid is gemaakt tussen de verschillende vormen van gebruik. De gemeenteraad heeft deze algemene toepassing van het persoonsgebonden overgangsrecht niet nader gemotiveerd. Gelet op het vorenstaande had van verweerders mogen worden verwacht dat zij het plan op dit onderdeel niet zouden goedkeuren zonder alsnog te motiveren waarom de beperking van het overgangsrecht in dit geval gerechtvaardigd was.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.”

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat verweerder in zijn nieuwe besluit de motivering heeft gezocht in algemeen geformuleerde overwegingen die betrekking hebben op het gehele plangebied. Hij heeft daarbij geen onderscheid gemaakt naar de verschillende vormen van gebruik waarvoor artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften betekenis heeft. Opnieuw heeft hij nagelaten per geval van gebruik dat niet in overeenstemming is met het onderhavige plan, na te gaan of persoonsgebonden overgangsrecht aangewezen is. Ook ter zitting is hieromtrent geen duidelijkheid verschaft. Evenmin is deze duidelijkheid verschaft door het rapport “Gebiedsinventarisatie Nieuw Oosteinde”, gedateerd 11 mei 2000, dat het gemeentebestuur na afloop van de zitting desgevraagd aan de Afdeling heeft verzonden. Het rapport geeft uitsluitend de feitelijke vormen van gebruik weer die niet in overeenstemming zijn met het onderhavige plan en geeft geen inzicht in de wijze waarop dit gebruik is ontstaan.

Gezien het vorenstaande kan het in artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht ook betekenis hebben voor gevallen van legaal gebruik, onder het vorige plan ontstaan, zonder dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

Gelet hierop is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 8 juli 2003, kenmerk 2003-6876, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan artikel 21, derde lid, van de planvoorschriften;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Neuwahl

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

280.