Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200304050/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft de raad van de gemeente Rijssen (thans: gemeente Rijssen-Holten; hierna: appellant) de verzoeken van [verzoekers] om vergoeding van planschade op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) wegens kennelijke ongegrondheid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/147 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Ruimtelijke ordening 2004/722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304050/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Rijssen-Holten,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 mei 2003 in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te Rijssen

en

de raad van de gemeente Rijssen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2001 heeft de raad van de gemeente Rijssen (thans: gemeente Rijssen-Holten; hierna: appellant) de verzoeken van [verzoekers] om vergoeding van planschade op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) wegens kennelijke ongegrondheid afgewezen.

Bij besluiten van 26 augustus 2002, bekend gemaakt bij brieven van 5 september 2002, heeft appellant de daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de verzoeken afgewezen conform de adviezen van de schadebeoordelingscommissie.

Bij uitspraak van 27 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) de daartegen door [verzoekers] ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 juli 2003 hebben [verzoekers] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door T.R. Groot en R. Stegeman, werkzaam bij de gemeente Rijssen-Holten, en [verzoekers] in persoon, bijgestaan door E. Nijhuis, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover hier van belang, kent de gemeenteraad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime.

2.3. Niet in geschil is dat voor [verzoekers] ter plaatse sprake is van een planologisch nadeliger situatie. Hetgeen partijen verdeeld houdt, is de vraag of de schade in verband met voorzienbaarheid ten laste van [verzoekers] behoort te blijven.

2.4. De raad heeft in de beslissingen op bezwaar van 26 augustus 2002 de motivering van de adviezen van de schadebeoordelingscommissie van 18 april 2002 integraal overgenomen. In genoemde adviezen heeft de schadebeoordelingscommissie de vraag, of de bouw van een school voor middelbaar onderwijs in het nog te ontwikkelen deel van de wijk Veeneslagen ten tijde van de aankoop van de bouwkavels in 1992 door [verzoekers], voor een redelijk denkende en handelende koper voorzienbaar was, bevestigend beantwoord. De verzoeken van [verzoekers] zijn door appellant dan ook wegens voorzienbaarheid van de schade afgewezen.

2.5. De rechtbank heeft overwogen, voorzover hier van belang, dat de vestiging van een school voor voortgezet onderwijs, zijnde een bovenwijkse voorziening, op grond van het Structuurplan 1980 in beginsel denkbaar werd geacht in de nog te ontwikkelen woongebieden Veeneslagen en Opbroek, maar dat van [verzoekers] als redelijk denkende en handelende kopers niet hoefde te worden verwacht dat zij, nu het Structuurplan geen locatie voor de bouw van een school voor voortgezet onderwijs aanwijst, vervolgens zelf uit genoemd plan afleidden dat een school voor voortgezet onderwijs in hun woonwijk en wel op de huidige locatie zou kunnen worden gevestigd. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een beperkte risicoaanvaarding en acht het redelijk dat slechts een deel van de schade ten laste van de kopers wordt gelaten. Omdat de raad een beperkte voorzienbaarheid niet heeft overwogen is de beslissing op bezwaar van 26 augustus 2002 naar het oordeel van de rechtbank niet zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd en heeft de rechtbank deze beslissing op bezwaar om die reden vernietigd.

2.6. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij van oordeel is dat sprake is van volledige voorzienbaarheid. Dat de precieze locatie van de school en de invulling van de woonwijk nog niet vaststond, doet naar de mening van appellant niet af aan de omstandigheid dat in het structuurplan de uitbreiding van de woonwijk met mogelijk een school voor voortgezet onderwijs is voorzien.

2.7. Of sprake is van voorzienbaarheid van de schade op grond waarvan deze redelijkerwijs voor rekening van [verzoekers] dient te blijven, moet worden beoordeeld aan de hand van de vraag of er ten tijde van de aankoop van hun kavels voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie voor toekomstige bewoners van die kavels in ongunstige zin zou veranderen. In het Structuurplan 1980 is de ontwikkeling van de nieuwe wijken Veeneslagen en Opbroek opgenomen. Vast staat, dat [verzoekers] ten tijde van de aankoop van hun kavels op grond van genoemd structuurplan op de hoogte waren van de toekomstige uitbreiding van hun woonwijk Veeneslagen, in welk plan is vermeld dat in de uitbreidingsgebieden een aantal buurtvoorzieningen zullen worden ondergebracht, zoals scholen voor kleuter- en basisonderwijs. In het plan is verder vermeld dat op de kaart geen uitbreidingsmogelijkheid is aangegeven voor bovenwijkse voorzieningen die - kort gezegd - in of rondom het centrum geen plaats kunnen vinden en dat vestiging daarvan in beginsel denkbaar is in de nog te ontwikkelen woongebieden Veeneslagen en Opbroek. Gelet op deze globale bewoordingen en de omstandigheid dat de informatie over de te ontwikkelen wijken Veeneslagen in Opbroek verspreid in het plan was vermeld, moet worden geoordeeld dat een redelijk denkende en handelende koper ten tijde van de aankoop van de onderhavige kavels in onvoldoende mate uit dit plan heeft kunnen afleiden dat hij ook rekening diende te houden met de bouw van een school van een dergelijke omvang, dat wil zeggen een school voor voortgezet onderwijs met een regionale functie. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat sprake is van beperkte risicoaanvaarding, zodat de door [verzoekers] gestelde schade niet volledig te zijnen laste behoort te blijven. Zij heeft voorts de beslissing op bezwaar van 26 augustus 2002 terecht vernietigd.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Rijssen in de door [verzoekers] in verband met de behandeling van het hoger beroep door elk van hen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 37,51 per persoon. De bedragen dienen door de gemeente Rijssen-Holten te worden betaald aan [verzoekers].

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

164-420.