Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200306226/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2003, kenmerk WM/031490, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een nertsenhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 11 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306226/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting "Stichting Bont voor Dieren", gevestigd te Amsterdam,

2. [appellant sub 2] e.a., allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2003, kenmerk WM/031490, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een nertsenhouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Gemert-Bakel, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 11 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 16 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2003, en appellanten sub 2 bij brief van 22 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 17 oktober 2003.

Bij brief van 14 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Kramer en P. van Boxtel, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon aanwezig en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten sub 2 hebben ter zitting de grond dat in de aanvraag niet is vermeld in welke sheds de nertsteven worden gehouden ingetrokken.

2.2. Zowel verweerder als vergunninghouder hebben ter zitting gesteld dat het beroep van appellante sub 1 niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de huisvesting van nertsen.

Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

De Afdeling stelt vast dat de beroepsgrond inzake de huisvesting van nertsen en de ammoniakemissiefactor is gericht tegen wijzigingen die bij het nemen van het bestreden besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht, nu verweerder in het bestreden besluit heeft aangegeven dat als gevolg van de dubbele kooilaag een hogere emissiefactor dient te worden gehanteerd die overeenkomt met een traditioneel huisvestingssysteem in plaats van een Groen Labelstalsysteem. Appellante sub 1 is van mening dat door deze wijziging in de emissiefactor meer wordt vergund dan is aangevraagd en dat dit tevens een grotere milieubelasting met zich brengt. De Afdeling is van oordeel dat appellante sub 1 door deze wijziging in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerp. Het beroep van appellante sub 1 is daarom ontvankelijk.

2.3. Appellanten sub 2 zijn van mening dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door hen ingebrachte bedenking tegen het ontwerp van het besluit inzake geluidhinder.

2.3.1. Ingevolge artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.

2.3.2. Appellanten hebben in hun bedenkingen aangevoerd dat de geluidnormen ten onrechte afwijken van de richtwaarden. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder het opschrift ‘inhoud en overwegingen ten aanzien van de ingebrachte bedenkingen’, onder verwijzing naar het akoestisch rapport dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag, gesteld dat door de oplegging en de naleving van de voorschriften in voldoende mate het milieu wordt beschermd. In voornoemd akoestisch rapport is in hoofdstuk 4 de normstelling beschreven. Verder is verweerder in de considerans ingegaan op de gestelde grenswaarden. Nu verweerder er in het bestreden besluit aldus blijk van heeft gegeven bedoelde bedenking van appellanten sub 2 bij zijn besluitvorming te hebben betrokken, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht gehandeld.

2.4. Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat de aanvraag tegenstrijdig is en onvoldoende gegevens bevat voor de beoordeling van de van de inrichting te verwachten gevolgen voor het milieu. Verweerder had, zo stellen zij, de aanvraag niet in behandeling mogen nemen. Appellanten voeren hiertoe allereerst aan dat de grens van de inrichting niet duidelijk is. Voorts wijzen zij op een tegenstrijdigheid in de aanvraag betreffende het toe te passen stalsysteem. Volgens appellanten is enerzijds een Groen Labelstalsysteem aangevraagd, zoals beschreven in het bij de aanvraag gevoegde bedrijfsontwikkelingsplan en de daarbij behorende bescheiden, terwijl op de bij de aanvraag behorende tekening van de inrichting een stalsysteem is getekend dat hiervan afwijkt.

2.4.1. Verweerder betoogt ten aanzien van de grenzen van de inrichting dat de omvang van de inrichting duidelijk is, nu de activiteiten vallen binnen het agrarisch bouwblok zoals dit in het bestemmingsplan is opgenomen. Voorts stelt verweerder dat de aanvraag zo dient te worden opgevat dat het stalsysteem conform het aangevraagde Groen Labelstalsysteem in werking moet zijn met daarop, conform de tekening van de inrichting, een tweede kooilaag in het kader van het welzijnsaspect.

2.4.2. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, in samenhang met artikel 5.18, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer dient de aanvrager in of bij de aanvraag onder meer te vermelden:

b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de inrichting;

d. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties […].

2.4.3. De vergunningaanvraag bestaat uit een aanvraagformulier met een bedrijfsontwikkelingsplan en daarbij behorende bescheiden, daaronder begrepen een tekening van de inrichting met kenmerk WM.1. Blijkens deze stukken behoort bij de inrichting een bedrijfsterrein waarop onder andere de sheds voor het houden van dieren staan en waar aan- en afvoerbewegingen en laad- en losactiviteiten plaatsvinden. In het aanvraagformulier is verder omschreven wat de overige activiteiten binnen de inrichting zullen inhouden.

De Afdeling stelt vast dat het aanvraagformulier geen informatie bevat over de grenzen van de inrichting. Wel zijn de omtrekken van de twee kadastrale percelen op het formulier aangegeven. Ter zitting is echter gebleken dat slechts een deel van het kadastrale perceel met nummer […] tot de aangevraagde inrichting behoort. Op de bij de aanvraag behorende tekening WM.1 is geen grens(lijn) van het terrein van de inrichting getekend. Ook het tot de aanvraag behorende akoestisch rapport brengt naar het oordeel van de Afdeling geen duidelijkheid in de grens van de inrichting. De Afdeling acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om het door verweerder genoemde agrarische bouwblok te beschouwen als grens van de inrichting. De grens van de inrichting is van belang voor de beoordeling van de in het onderhavige geval van de inrichting te duchten hinder en voor de in verband daarmee aan de vergunning verbonden voorschriften. Noch uit de stukken noch uit de verklaringen ter zitting is echter gebleken dat verweerder enig onderzoek heeft verricht naar de grens van de inrichting.

2.4.4. Voor het binnen de inrichting toe te passen stalsysteem wordt in het aanvraagformulier verwezen naar het bij de aanvraag gevoegde bedrijfsontwikkelingsplan. Hierin is vermeld dat een Groen Labelstalsysteem BB 94.02.013 met een emissiefactor van 0,25 kg NH3 wordt aangevraagd conform de daartoe bijgevoegde tekening met technische beschrijving van het mest- en urineopvangsysteem. Uit deze tekening en beschrijving volgt dat de stal 1 rij kooien heeft met daaronder een al dan niet verhoogde mestgoot met mestschuif. Uit de tekening van de inrichting met kenmerk WM.1 blijkt echter dat het niet gaat om 1 rij kooien maar om 2 rijen kooien (gaasrennen) boven elkaar met een verhoogde mestgoot. Gelet op het vorenstaande is niet duidelijk op welke wijze de nertsen worden gehouden. Voorts is niet duidelijk of het gaat om twee van elkaar gescheiden lagen van kooien dan wel van een hoger gelegen kooilaag die toegankelijk is voor de nertsen uit de onderste kooilaag. Nu de bedrijfsvoering in de aanvraag verder niet nader is omschreven en over de te voeren activiteiten derhalve geen duidelijkheid bestaat, biedt de aanvraag onvoldoende inzicht in de wijze waarop de bedrijfsvoering gaat plaatsvinden.

2.4.5. Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat vanwege het in de aanvraag ontbreken van de hiervoor genoemde informatie verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu mogelijk te maken. Door inhoudelijk te beslissen op de aanvraag heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart, en met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Aan de bespreking van de overige door appellante sub 1 en appellanten sub 2 aangevoerde beroepsgronden wordt derhalve niet toegekomen.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellante sub 1 en appellanten sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 1 augustus 2003, kenmerk WM/031490;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 voor appellante sub 1 en tot een bedrag van € 644,00 voor appellanten sub 2, welke bedragen geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Gemert-Bakel te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Gemert-Bakel aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00 voor appellante sub 1 en € 116,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

374.