Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6539

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200303900/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch bedrijf met gespeende biggen en vleesvarkens op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 8 mei 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303900/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Het Brabants Landschap", gevestigd te Haaren, de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie", gevestigd te Tilburg, en [appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [vergunninghoudster] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een agrarisch bedrijf met gespeende biggen en vleesvarkens op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 8 mei 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 16 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2004, waar [een van de appellanten], in persoon, bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door C.A.M. Spapens en E.J.M. Hoogstraten-van Dam, gemachtigden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

[Appellanten] hebben de gronden met betrekking tot de emissiefactor voor mestvarkens en gespeende biggen, de gehanteerde omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de beoordeling van de cumulatieve stankhinder niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van P. van Staak en anderen in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft betrekking op het houden van 1.701 gespeende biggen en 1.990 vleesvarkens in een Groen-Labelstal.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellanten voeren aan dat verweerder de gespeende biggen die zonder fokzeugen binnen de inrichting zullen worden gehouden bij de berekening van de ammoniak- en geuremissie ten onrechte niet als mestvarkens heeft aangemerkt.

Zoals de Afdeling eerder in haar uitspraken van 26 maart 1998, no. E03.96.0485, (AB 1998, 215) en 4 juni 1999, no. E03.98.0770, (JB 1999, 168) heeft geoordeeld bestaat er in de situatie dat gespeende biggen zonder fokzeugen binnen een inrichting worden gehouden geen aanleiding bij de berekening van de ammoniak- en geuremissie gespeende biggen als mestvarkens aan te merken. In hetgeen appellanten hebben betoogd ziet de Afdeling thans geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit beroepsonderdeel faalt derhalve.

2.5. Appellanten betogen dat verweerder de omgeving van de onderhavige inrichting ten onrechte als categorie III in plaats van categorie II in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) heeft aangemerkt. Appellanten betogen voorts dat verweerder een onjuiste beoordeling heeft gemaakt van de cumulatieve stankhinder. Daartoe wijzen zij op het feit dat verweerder voor de bepaling van de waarde N gebruik heeft gemaakt van een computerprogramma dat onvoldoende overeen komt met de geëxtrapoleerde grafiek uit het rapport “Beoordeling cumulatie stankhinder door intensieve veehouderij” van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Publicatiereeks Lucht, nr. 46 (hierna: het rapport).

2.5.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) tot uitgangspunt genomen. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure gehanteerd. Met betrekking tot de cumulatie van stankhinder heeft verweerder het rapport tot uitgangspunt genomen. Voor de bepaling van de waarde van het aantal mestvarkeneenheden dat gezien de afstand tot het waarneempunt in een inrichting aanwezig mag zijn (N) heeft verweerder een rekenprogramma gehanteerd waarvan de formules zijn gebaseerd op de geëxtrapoleerde grafiek van het rapport, waarin volgens verweerder de waarde N nauwkeuriger is bepaald dan bij de hantering van de geëxtrapoleerde grafieken in het rapport mogelijk is.

2.5.2. De Afdeling overweegt wat betreft het door verweerder gehanteerde rekenprogramma voor de vaststelling van het toegestane aantal mestvarkeneenheden (N) dat dit programma blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting waarden aangeeft die, met name op grotere afstanden, zodanig veel afwijken van de waarden die uit de geëxtrapoleerde afstandsgrafieken in het rapport kunnen worden afgeleid, dat dit rekenprogramma niet als voldoende nauwkeurig kan worden aangemerkt en niet als uitgangspunt mag worden genomen bij het bepalen van de waarde N.

Het bestreden besluit kan ten aanzien van de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de door de onderhavige inrichting veroorzaakte bijdrage aan de cumulatie van stankhinder in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.5.3. Wat betreft de categorie-indeling overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de directe omgeving van de onderhavige inrichting meerdere burgerwoningen, waaronder een cluster van burgerwoningen dat op ongeveer 100 meter van de inrichting is gelegen, liggen. De Afdeling is van oordeel dat deze woningen het overwegend agrarisch karakter aan de omgeving ter plaatse ontnemen en aan het gebied een bepaalde woonfunctie verlenen. Verweerder heeft derhalve de woningen in de omgeving van de onderhavige inrichting ten onrechte als categorie III in plaats van categorie II in de zin van de brochure aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in strijd gehandeld met het door hem, bij de invulling van de beoordelingsvrijheid in het kader van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer, gehanteerde uitgangspunt. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.6. Het beroep is, voorzover ontvankelijk wat betreft [appellanten], gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk voorzover het betreft de gronden met betrekking tot de emissiefactor voor mestvarkens en gespeende biggen, de gehanteerde omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de beoordeling van de cumulatieve stankhinder;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haaren van 29 april 2003;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaren in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Haaren te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de gemeente Haaren aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Leeuwen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004.

373.