Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6537

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200303859/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft appellant - voorzover thans van belang - ten behoeve van de nieuwbouw en renovatie van het onder het bestuur van de Vereniging voor Voortgezet Onderwijs op Protestants Christelijke Grondslag voor de Noordoostpolder en omgeving (hierna: de vereniging) staande “Emelwerda College” een krediet gevoteerd van ƒ 14.230.821,00/€ 6.457.665,03.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 200 met annotatie van P.J.J. Zoontjens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303859/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Noordoostpolder,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 7 mei 2003 in het geding tussen:

de vereniging “Vereniging voor Voortgezet Onderwijs op Protestants Christelijke Grondslag voor de Noordoostpolder en omgeving”, gevestigd te Emmeloord,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft appellant - voorzover thans van belang - ten behoeve van de nieuwbouw en renovatie van het onder het bestuur van de Vereniging voor Voortgezet Onderwijs op Protestants Christelijke Grondslag voor de Noordoostpolder en omgeving (hierna: de vereniging) staande “Emelwerda College” een krediet gevoteerd van ƒ 14.230.821,00/€ 6.457.665,03.

Bij besluit van 24 januari 2002 heeft appellant het daartegen door de vereniging gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Noordoostpolder van 12 november 2001, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 mei 2003, verzonden op 9 mei 2003, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vereniging ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 augustus 2003 heeft de vereniging van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Possel, advocaat te Zwolle, en drs. G.J. Hutten en W. Prins, ambtenaren van de gemeente, en de vereniging, vertegenwoordigd door mr. C.I. Grasdijk, jurist bij de “Besturenraad” voor protestants-christelijk onderwijs, en [partij], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft appellant ten behoeve van de nieuwbouw en renovatie van het “Emelwerda College” een krediet gevoteerd van ƒ 14.230.821,00. De vereniging heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant hierbij ten onrechte heeft nagelaten om op basis van artikel 4, derde lid, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Noordoostpolder 2001 (hierna: de verordening), gelezen in samenhang met deel A van bijlage IV bij de verordening, de gehele bouwsom van ƒ 15,50 miljoen te indexeren over de periode 1 januari tot 1 juli 2002.

2.1.1. Op 5 oktober 1998 heeft het “Tijdelijk overleg onderwijshuisvesting voortgezet onderwijs” (door partijen genoemd de commissie Broekema) aan appellant geadviseerd om voor de bekostiging van de nieuwbouw en renovatie van het “Emelwerda College” uit te gaan van een ruimtebehoefte van 6460 m2 met als totale kosten ƒ 13,95 miljoen, waarvan ƒ 11,85 miljoen voor de uitbreiding. Naar aanleiding van dit advies heeft appellant op 26 april 2001 uiteindelijk een aangepast financieel kader vastgesteld met een totaalbedrag van ƒ 15,50 miljoen, uitgaande van taakstellende bouwkosten van ƒ 2400,00 per m2 per 1 januari 2001. Daarbij heeft appellant het, in het voordien gehanteerde financieel kader vermelde bedrag per m2 geïndexeerd en verhoogd van ƒ 2200,00 naar ƒ 2400,00. Blijkens de verslagen van de nadien door de vereniging en appellant - in het kader van het zogenoemd op overeenstemming gerichte overleg, als waarvan in artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO) sprake is - gevoerde besprekingen, bestaat tussen hen in zoverre geen verschil van mening over het financieel kader.

2.1.2. Vooropgesteld moet worden dat de WVO en de verordening geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat gemeenteraad en schoolbestuur niet in overleg van de in de verordening opgenomen normerings- en indexeringsvoorschriften mogen afwijken, met dien verstande dat een schoolbestuur minimaal de garanties uit de verordening moeten worden geboden. Daarvan is hier sprake. In zoverre is dus ook geen grond voor het oordeel dat reeds het door partijen gehanteerde en door hen als zodanig aangeduide ‘consensusmodel’ in strijd is met de verordening.

2.1.3. In het licht van het voorgaande heeft de rechtbank de vereniging ten onrechte gevolgd in haar betoog dat zij aanspraak heeft op de uit artikel 4, derde lid, van de verordening, gelezen in samenhang met deel A van bijlage IV bij de verordening, voortvloeiende indexering van 6% over de gehele bouwsom. Die indexering heeft immers betrekking op het, in bijlage IV bij de verordening opgenomen, genormeerde bedrag. Partijen zijn echter - zoals in 2.1.1. is overwogen - geen genormeerd bedrag, maar een op een taakstellend budget gebaseerd en geïndexeerd bedrag van ƒ 2400,00 per m2 overeengekomen. Zelfs indien de vereniging zou kunnen worden gevolgd in haar betoog dat, zoals zij onder verwijzing naar de verslagen van de gevoerde besprekingen heeft aangevoerd, partijen niet met zoveel woorden zijn overeengekomen om indexering over het jaar 2002 achterwege te laten, dan nog kan niet anders worden geoordeeld dan dat partijen onmiskenbaar zijn overeengekomen om ten gunste van de vereniging af te wijken van de, in de verordening opgenomen, voorschriften over normering en indexering van de bouwkostenbedragen, aangezien eerst op grond van de verordening, zoals deze is vastgesteld op 27 juni 2002, ten behoeve van de vergoedingen voor 2002 wordt uitgegaan van een normbedrag van € 977,00/ƒ 2153,00. Appellant was derhalve niet gehouden om op grond van de verordening de gehele bouwsom over de periode januari tot en met juni 2002 te indexeren. De prijscompensatie van 3% ten bedrage van ƒ 209.421,00, die appellant over die periode alsnog heeft toegekend, is dan ook onverplicht tot stand gekomen.

2.1.4. In aanmerking genomen dat tussen partijen voorts niet in geschil is dat de hoogte van de eigen bijdrage van de vereniging ƒ 1.538.600,00 bedraagt en dat een bedrag van ƒ 60.000,00 ten behoeve van bodemsanering reeds is uitgekeerd, heeft appellant terecht een totaalbedrag van (15.500.000 - 1.538.600 + 209.421 + 60.000 =)

ƒ 14.230.821,00/€ 6.457.665,03 toegekend.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, dient het bij haar ingestelde beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 7 mei 2003, Awb 02/235;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

282.