Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200303187/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2000 heeft de Commissie voor Gebiedsaanwijzing in de provincie Friesland aan [verzoeker] met ingang van 1 december 1999 vergunning verleend voor de uitoefening van de artsenijbereidkunst in het gebied zoals aangegeven op de bij de vergunning behorende kaart. Dat gebied omvatte niet het dorp [plaats], waarvoor door [verzoeker] ook vergunning was aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303187/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Buitenpost,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 april 2003 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Twijzel

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2000 heeft de Commissie voor Gebiedsaanwijzing in de provincie Friesland aan [verzoeker] met ingang van 1 december 1999 vergunning verleend voor de uitoefening van de artsenijbereidkunst in het gebied zoals aangegeven op de bij de vergunning behorende kaart. Dat gebied omvatte niet het dorp [plaats], waarvoor door [verzoeker] ook vergunning was aangevraagd.

Bij besluit van 9 januari 2001 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) het daartegen door [verzoeker] ingestelde administratieve beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 8 juli 2003 heeft de minister opnieuw beslist op het administratieve beroep van [verzoeker] en het gegrond verklaard in dier voege dat de [plaats] niet van de vergunning is uitgezonderd.

Bij brieven van 11 juli 2003 en 13 oktober 2003 heeft de minister van antwoord gediend.

Bij brief van 26 augustus 2003 heeft [verzoeker] een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [verzoeker] en appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en de minister, vertegenwoordigd door S. Bishoen, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen. Voorts is daar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. H.C.M. Hendriks, advocaat te Utrecht, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: de WOG) – voorzover hier van belang en zakelijk samengevat – is de arts die zich voor het uitoefenen van de geneeskundige praktijk vestigt, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid en artikel 7, eerste lid, tevens bevoegd tot uitoefening der artsenijbereidkunst in een uitsluitend aan hem toebehorende apotheek ten behoeve van de tot zijn praktijk behorende personen, indien zijn vestiging niet geschiedt in een gemeente waar een apotheker is gevestigd, of in één der aan zodanige gemeente grenzende gemeenten.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de WOG - voorzover hier van belang en zakelijk samengevat - is de Commissie voor Gebiedsaanwijzing in de provincie Friesland bevoegd aan een arts op diens verzoek een vergunning te verlenen voor de uitoefening van de artsenijbereidkunst in de gemeente of gedeelten van gemeenten die in de vergunning zijn aangewezen. Dat gebied kan ook groter zijn dan het gebied in het eerste lid genoemd.

2.2. De minister heeft zich in het besluit van 9 januari 2001 op het standpunt gesteld dat nu de afstand tussen de apotheek van appellant in Buitenpost en het begin van Twijzel ongeveer drie kilometer is, een behoorlijke geneesmiddelenvoorziening in Twijzel is gewaarborgd en derhalve Twijzel niet behoeft te worden opgenomen in het aan [verzoeker] vergunde gebied.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zijn standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd en dat het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Hij voert aan dat de minister voldoende duidelijk heeft aangegeven hoe de afstand van drie kilometer is gemeten. Voorts had de minister geen rekening hoeven houden met de omstandigheid dat aan de voorgangster van [verzoeker] ook Twijzel was vergund.

2.5. Het geschil spitst zich toe op de vraag wat de afstand is tussen de apotheek van appellant en Twijzel en welk punt als beginpunt moet worden genomen van de dorpskern Twijzel. Blijkens de stukken heeft de minister als begin van de dorpskern Twijzel aangemerkt de hervormde kerk, die aan de weg van Buitenpost naar Twijzel aan de oostelijke kant van Twijzel staat. Deze uitleg komt niet voor in het besluit van 9 januari 2001. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat reeds hierom sprake is van een gebrekkige motivering. Gelet op de overgelegde kaarten en foto’s heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een aaneengesloten bebouwing tussen de hervormde kerk en de dorpskom van Twijzel, en derhalve niet zonder meer die kerk als het begin van het dorp Twijzel heeft kunnen aanmerken.

Onweersproken is gesteld dat de afstand tussen de dorpskom van Twijzel en de apotheek in Buitenpost ongeveer 3,7 kilometer bedraagt. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt geen aanleiding appellant te volgen in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, uitgaande van het in vaste jurisprudentie door de Afdeling aanvaarde beleid voor gevallen waarin de afstand tussen de 3,5 en 4,5 kilometer is, niet alleen de afstand doch ook andere omstandigheden, zoals de inhoud van de aan de voorgangster van [verzoeker] verleende vergunning en het financiële belang van [verzoeker], hadden moeten worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of ook het dorp Twijzel in de vergunning diende te worden begrepen. Zij neemt daarbij mede in aanmerking het feit dat het beleid van de minister voor het verkrijgen van een vergunning als hier aan de orde sinds 1992 is versoepeld.

2.6. Bij besluit van 8 juli 2003 heeft de minister opnieuw beslist op het door [verzoeker] ingestelde administratieve beroep. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht zich mede hiertoe uit te strekken.

2.7. In het besluit van 8 juli 2003 heeft de minister het standpunt ingenomen dat, gelet op het feit dat Twijzel wel was opgenomen in de vergunning van de voorgangster van [verzoeker] en dat zich sindsdien in de plaatselijke omstandigheden vrijwel geen veranderingen hebben voorgedaan, de geneesmiddelenvoorziening vanuit de apotheek in Buitenpost niet gewaarborgd kan worden geacht.

2.8. Wat betreft de mogelijkheid voor de inwoners van Twijzel om gebruik te maken van een zogeheten beltaxi, is niet gebleken dat de bereikbaarheid van de apotheek per beltaxi, gelet op de dienstregeling en de tarieven, zo is dat de geneesmiddelenvoorziening in Twijzel voldoende gewaarborgd kan worden geacht.

Gelet hierop en hetgeen in overweging 2.5. is overwogen, is geen plaats voor het oordeel dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat Twijzel bij het aan [verzoeker] vergunde gebied dient te worden betrokken.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Het beroep van appellant tegen het besluit van 8 juli 2003 is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van de minister van 8 juli 2003 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

306-290.