Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200302847/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft de raad van de gemeente Margraten (hierna: de raad) een verzoek van appellante om vergoeding van planschade afgewezen, voorzover het betrekking heeft op de vestiging van [partij] aan de [locatie] en de vestiging van het Keukenhuis aan de Rijksweg 25, het verzoek om vergoeding van planschade voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, en een verzoek om nadeelcompensatie niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302847/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 april 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Margraten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft de raad van de gemeente Margraten (hierna: de raad) een verzoek van appellante om vergoeding van planschade afgewezen, voorzover het betrekking heeft op de vestiging van [partij] aan de [locatie] en de vestiging van het Keukenhuis aan de Rijksweg 25, het verzoek om vergoeding van planschade voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, en een verzoek om nadeelcompensatie niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 23 april 2002 heeft de raad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar, overeenkomstig een advies van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaar- en Beroepschriften van 31 januari 2002, ongegrond verklaard, voorzover het betrekking heeft op de afwijzing van een planschadevergoeding, en het besluit van 30 oktober 2001, voorzover het betreft de niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek om toekenning van nadeelcompensatie, gewijzigd in een afwijzing van dat verzoek.

Bij uitspraak van 1 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 juni 2003 heeft de raad van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2004, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. S.T.C. Lahaye, ambtenaar bij de gemeente, is verschenen. Appellante is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 13 februari 2001 heeft appellante verzocht om vergoeding van planschade die zij stelt te lijden ten gevolge van het besluit van 3 maart 1998 tot het verlenen van vrijstelling ex artikel 19 van de WRO voor de bouw van een muur en open berging en voor vestiging van [partij] (hierna: het installatiebedrijf) op het perceel [locatie] te [plaats]. Volgens appellante is ten gevolge van de wijziging van het planologische regime een ongunstiger situatie ontstaan die tot uitdrukking komt in een waardedaling van haar woning aan de [locatie] te [plaats].

2.1.1. Appellante heeft zich in de brief van 13 februari 2001 voorts op het standpunt gesteld dat de waardedaling van haar woning niet alleen wordt veroorzaakt door de betreffende wijziging van het planologische regime, maar ook voortvloeien uit het beleid van de gemeente Margraten om van haar directe woonomgeving steeds meer een bedrijventerreinomgeving te maken. Hiervoor is volgens appellante nadeelcompensatie aan de orde. Zij heeft in dit verband gewezen op de vestiging in het verleden van het installatiebedrijf op het perceel [locatie], de vestiging van de supermarkt JUMBO aan de Rijksweg 27, de vestiging van een reclameschildersbedrijf op het perceel Heerderweg 1, de bouw van twee loodsen aan de bestaande woning op het perceel Heerderweg 2, de vestiging van het installatiebedrijf op een veldweg naast het pand Heerderweg 1, en de vestiging van het Keukenhuis aan de Rijksweg 25.

2.2. De raad heeft Juridisch en Bestuurlijk Adviescentrum Klaassen B.V. (hierna: JBA) gevraagd advies uit te brengen op het planschadeverzoek. JBA is, blijkens een terzake uitgebracht advies, nagegaan voor welke onderdelen van het schadeverzoek besluiten zijn genomen zoals bedoeld in artikel 49 van de WRO. Volgens JBA zijn er vier besluiten tot verlening van vrijstelling ex artikel 19 van de WRO genomen van, achtereenvolgens, 3 maart 1998 voor de bouw van een open berging en een tuinmuur alsmede de vestiging van het installatiebedrijf op het perceel [locatie], 31 oktober 1989 voor het bouwen van een showroom met magazijn aan de [locatie] (het zogenoemde Keukenhuis), 18 juni 1991 voor het aanbouwen van een magazijnruimte ten behoeve van het Keukenhuis, 29 mei 1996 voor het uitbreiden van magazijnen ten behoeve van het Keukenhuis. De raad heeft op basis van het advies van JBA geoordeeld dat appellante niet in een planologisch nadeliger positie is gekomen ten gevolge van de verschillende besluiten tot verlening van vrijstelling en het verzoek om vergoeding van planschade ten gevolge van die besluiten afgewezen.

2.2.1. De raad heeft het verzoek om nadeelcompensatie - na aanvankelijk niet-ontvankelijk te hebben verklaard - afgewezen bij de beslissing op het bezwaar.

2.3. De rechtbank heeft, overeenkomstig een door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) van 21 november 2002 aan haar uitgebracht advies, geoordeeld dat appellante geen planologisch nadeel heeft ondervonden van de besluiten tot verlening van vrijstelling.

2.3.1. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de raad het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen.

2.4. Ter plaatse van het perceel [locatie] is het “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak” van kracht, dat werd vastgesteld op 7 november 1952 en werd goedgekeurd bij besluit van 14 december 1953. Ingevolge dit plan heeft het perceel de bestemming “Agrarische doeleinden 1”.

Op gronden, bestemd voor “Agrarische doeleinden 1”, mogen worden opgericht vrijstaande boerderijen alsmede vrijstaande bedrijfsgebouwen, ten dienste van een agrarisch bedrijf mits:

a). De oppervlakte van het bouwperceel tenminste 1 ha, de breedte van dit perceel tenminste 200 m en de totale oppervlakte van de bij het bedrijf in gebruik zijnde of te nemen gronden tenminste 5 ha bedragen en op voorwaarden, dat noch het bouwperceel noch de gronden welke de bedrijfsoppervlakte uitmaken hetzij geheel hetzij gedeeltelijk hebben behoord bij een reeds eerder opgerichte boerderij, tenzij de oppervlakte en de breedte van het overblijvende, bij laatstbedoelde boerderij behorende bouwperceel en de overblijvende bedrijfsoppervlakte van deze boerderij blijven voldoen aan de voor “Agrarische doeleinden 1” gestelde eisen.

b). De afstand van de zijgevels tot de zijdelingse perceelscheiding tenminste 15 m bedraagt.

c). De totale inhoud der bedrijfsruimte, deel uitmakende van het boerderijgebouw, gemeten boven het maaiveld tenminste 400 m³ bedraagt.

2.5. Ter zitting heeft de gemachtigde van de raad desgevraagd meegedeeld dat niet uitgesloten is dat overeenkomstig artikel 352 van de Modelbouwverordening een verbod geldt om de gronden in strijd met de in het “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak” gegeven bestemming te gebruiken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat getwijfeld kan worden aan de juistheid van het standpunt van de StAB dat het “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak” en de bestemming “Agrarische doeleinden I” niet in de weg stonden aan de vestiging van het installatiebedrijf op het perceel [locatie], omdat in de voorschriften behorende bij het uitbreidingsplan gebruiksvoorschriften ontbreken. Evenzeer wordt getwijfeld aan de juistheid van de conclusie van de StAB dat voor de bouw van de onderhavige muur geen vrijstelling ex artikel 19 van de WRO nodig was, nu de StAB de hoogte van de muur - 2.75 m - niet heeft getoetst aan de bouwvoorschriften voor erfafscheidingen ingevolge de bouwverordening. Anders dan de StAB en de rechtbank ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de vestiging van het installatiebedrijf op het perceel [locatie] en de bouw van de muur ten behoeve van dat bedrijf zonder meer is toegestaan onder vigeur van het “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak”. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het besluit van 3 maart 1998 niet heeft geleid tot een wijziging van het planologische regime.

Nu het Keukenhuis is gerealiseerd op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden I”, houden ook de op het Keukenhuis betrekking hebbende vrijstellingsbesluiten een wijziging in van het planologische regime. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, leiden deze onjuiste uitgangspunten evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.5.1. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag het advies van JBA, waarin gemotiveerd is geoordeeld dat deze vrijstellingsbesluiten niet tot waardevermindering van het perceel van appellante hebben geleid.

De Afdeling ziet eveneens onvoldoende aanleiding voor het oordeel, dat appellante door de wijzigingen van het planologische regime in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren, waardoor zij schade heeft geleden. Aannemelijk is dat de privacy, zonlichttoetreding, of gebruiksmogelijkheden van de woning of tuin van appellante niet negatief worden beïnvloed door de open berging, de muur, en het Keukenhuis, gelet op de grote afstand (meer dan 40 m) tot de woning van appellante, de ruime begroeiing, en de situering van het terras aan de zuidzijde van de woning. Omdat in voldoende parkeerfaciliteiten op eigen terrein bij het Keukenhuis wordt voorzien, wordt een negatief effect op de woonomgeving door parkeeroverlast evenmin aannemelijk geacht. De bouwmassa’s zijn niet dominant en hebben geen negatieve gevolgen voor de waarde van het onroerend goed. De Afdeling heeft voorts geen reden om aan te nemen dat het gebruik van de gronden voor andere bedrijfsdoeleinden dan voor een agrarisch bedrijf in dit geval heeft geleid tot een nadeliger situatie.

2.6. Met betrekking tot het verzoek om nadeelcompensatie heeft appellante betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat aan de afwijzing daarvan geen inhoudelijke beoordeling ten grondslag heeft gelegen.

2.6.1. Dit betoog wordt niet gevolgd. Als uitgangspunt moet daarbij worden vooropgesteld dat voor nadeelcompensatie slechts plaats zou kunnen zijn, voorzover appellante schade heeft geleden door andere besluiten dan die welke op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een titel voor schadevergoeding kunnen vormen.

In de brief van 2 april 2002 van het college van burgemeester en wethouders is het verzoek om nadeelcompensatie inhoudelijk beoordeeld.

Op grond van die beoordeling is besloten dat van onevenredige benadeling welke tot toekenning van nadeelcompensatie zou moeten leiden geen sprake is, omdat de woning van appellante is gelegen in een omgeving waar ten tijde van de aankoop reeds bedrijfsactiviteiten plaatsvonden dan wel waar bedrijvigheid - zij het in agrarische vorm - is toegestaan. Met die beoordeling kon mede gelet op genoemd uitgangspunt worden volstaan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Ramsahai

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

-401.