Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6507

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
200301443/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: het college), voorzover thans van belang, appellant in zijn functie van voorzitter van de stichting "Stichting IJsselsteinse Lokale Omroep" aansprakelijk gesteld voor de schade ontstaan doordat ten onrechte aan deze stichting een bedrag aan subsidie is verstrekt van ƒ 16.175,00 (€ 7.339,89).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 215 met annotatie van N. Verheij
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301443/1.

Datum uitspraak: 31 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de op 22 januari 2003 verzonden uitspraak van de rechtbank Utrecht in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: het college), voorzover thans van belang, appellant in zijn functie van voorzitter van de stichting "Stichting IJsselsteinse Lokale Omroep" aansprakelijk gesteld voor de schade ontstaan doordat ten onrechte aan deze stichting een bedrag aan subsidie is verstrekt van ƒ 16.175,00 (€ 7.339,89).

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij op 22 januari 2003 verzonden uitspraak heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 29 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2004, waar appellant in persoon en als vertegenwoordiger van Stichting IJsselsteinse Lokale Omroep is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijk rechtshandeling.

2.2. Het besluit van het college van 5 september 2001 bevat twee onderdelen. In het eerste, gehandhaafd bij besluit van 28 januari 2002, is de Stichting IJsselsteinse Lokale Omroep gesommeerd de teveel betaalde subsidie ten bedrage van ƒ 16.175,00 (€ 7.339,89) terug te betalen. Door de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2003, nummer 200301443/3, is het besluit in zoverre in rechte onaantastbaar geworden.

In het tweede onderdeel van het besluit van 5 september 2001, gehandhaafd bij besluit van 15 januari 2002, is appellant als bestuurder van de stichting hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die de gemeente Nieuwegein heeft geleden als gevolg van het beweerdelijk onrechtmatig handelen van appellant in zijn hoedanigheid van voorzitter en (enig) bestuurder van de Stichting IJsselsteinse Lokale Omroep. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 15 januari 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak is thans nog slechts met betrekking tot dit onderdeel van het besluit van 5 september 2001 in geschil.

2.3. Naar het oordeel van de Afdeling is de mededeling van het college dat appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de hiervoor bedoelde schade niet gericht op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg, maar betreft deze uitsluitend een rechtshandeling naar burgerlijk recht. Het besluit van 5 januari 2001 bevat in zoverre geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hiertegen staat gelet op artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef, geen rechtsmiddel op grond van deze wet open. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk was. De rechtbank is in zoverre terecht en op goede gronden tot haar uitspraak gekomen

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak voorzover daarbij is beslist op het beroep van appellant tegen het besluit van 15 januari 2002 dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is beslist op het beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein van 15 januari 2002.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2004

164.