Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6143

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
200400586/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2003, kenmerk WM03.3024, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleesvarkens- en schapenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Leusden, sectie […], nummer […]. In de door verweerder aan verzoeker verstuurde kennisgeving is aangegeven dat vanaf 2 januari 2004 beroep kan worden ingesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 15 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 januari 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 23 januari 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400586/2.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leusden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2003, kenmerk WM03.3024, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een vleesvarkens- en schapenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Leusden, sectie […], nummer […]. In de door verweerder aan verzoeker verstuurde kennisgeving is aangegeven dat vanaf 2 januari 2004 beroep kan worden ingesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 15 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 januari 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 23 januari 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 maart 2004, waar verzoeker, in persoon, is verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door ing. L. Polinder, gemachtigde, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Verzoeker heeft de gronden inzake de kadaverplaats en naleving van de gestelde geluidgrenswaarden niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. De Voorzitter gaat er daarom van uit dat de Afdeling het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal oordelen. De Voorzitter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook in zoverre af.

2.3. Verzoeker betoogt dat maatregelen dienen te worden getroffen om te voorkomen dat in de binnen de inrichting aanwezige stal F andere activiteiten worden verricht dan het houden van schapen.

De Voorzitter overweegt dat uit de van het bestreden besluit deel uitmakende aanvraag en voorschrift 1.1.1 volgt dat in stal F 60 schapen mogen worden gehuisvest. De inrichting dient in werking te zijn conform de bij het bestreden besluit verleende vergunning. Deze beroepsgrond heeft derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.4. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

154-443.