Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2004
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
200401369/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

1. Procesverloop

Bij brief van 30 mei 2003 hebben verzoekers verweerder onder meer verzocht om onder oplegging van een last onder dwangsom “Nuon Power Buggenum B.V.” te verplichten het vergassen van afvalstoffen (secundaire brandstoffen) binnen de door haar gedreven inrichting op het perceel Roermondseweg 55 te Haelen onmiddellijk te beëindigen.

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek hebben verzoekers bij brief van 14 juli 2003 beroep bij de Afdeling ingesteld. Het beroepschrift is op 15 juli 2003 naar verweerder doorgezonden ter verdere afhandeling als bezwaarschrift.

Bij besluit van 15 juli 2003, kenmerk 2003/20062, heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Bij brief van 19 augustus 2003 hebben verzoekers hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 januari 2004, kenmerk 2004/3033, verzonden op 28 januari 2004, heeft verweerder het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 30 mei 2003 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2003 ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401369/2.

Datum uitspraak: 16 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving", gevestigd te Buggenum en anderen,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 30 mei 2003 hebben verzoekers verweerder onder meer verzocht om onder oplegging van een last onder dwangsom “Nuon Power Buggenum B.V.” te verplichten het vergassen van afvalstoffen (secundaire brandstoffen) binnen de door haar gedreven inrichting op het perceel Roermondseweg 55 te Haelen onmiddellijk te beëindigen.

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek hebben verzoekers bij brief van 14 juli 2003 beroep bij de Afdeling ingesteld. Het beroepschrift is op 15 juli 2003 naar verweerder doorgezonden ter verdere afhandeling als bezwaarschrift.

Bij besluit van 15 juli 2003, kenmerk 2003/20062, heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Bij brief van 19 augustus 2003 hebben verzoekers hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 januari 2004, kenmerk 2004/3033, verzonden op 28 januari 2004, heeft verweerder het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 30 mei 2003 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2003 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 12 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 maart 2004, waar verzoekers, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooij en

G. van Heusden, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. J.J. Beek en ing. J.J. Balendonck, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is Nuon Power Buggenum B.V., vertegenwoordigd door

mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en ing. J.T.W. Pastoors, gemachtigde, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Voorzover het verzoek zich richt tegen het feit dat niet tijdig op het verzoek van 30 mei 2003 is besloten, overweegt de Voorzitter dat bij besluit van 15 juli 2003 alsnog op dit verzoek is beslist. Reeds hierom bestaat geen reden om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt toe te wijzen.

2.3. Verzoekers hebben, kort weergegeven, aangevoerd dat verweerder niet in redelijkheid had kunnen afzien van het opleggen van een last onder dwangsom, nu binnen de inrichting reeds lange tijd zonder vergunning afvalstoffen worden vergast.

2.3.1. Verweerder heeft betoogd dat is afgezien van handhavend optreden nu er concreet zicht op legalisatie is. In dit verband betoogt hij dat bij besluit van 11 november 2003 een revisievergunning krachtens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer is verleend voor onder meer het vergassen van secundaire brandstoffen. Weliswaar is deze vergunning nog niet in rechte onaantastbaar geworden, maar naar de mening van verweerder behoeft, gelet op de bij de aanvraag om de vergunning van 11 november 2003 gevoegde rapporten, niet voor ernstige nadelige gevolgen voor het milieu te worden gevreesd. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht noch anderszins aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhaving.

2.4. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2004

190-361.