Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200306964/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Gennep, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 januari 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Milsbeek 2002".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306964/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellanten sub 4]), wonend te [woonplaats],

5. [appellanten sub 5]), wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Gennep, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 januari 2003, vastgesteld het bestemmingsplan "Milsbeek 2002".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 september 2003, kenmerk 2003/39802, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 19 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2003, [appellante sub 2] bij faxbericht van 30 oktober 2003, [appellanten sub 3] bij brief van 5 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2003, [appellanten sub 4] bij brief van 5 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2003, en [appellanten sub 5] bij brief van 5 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2003, beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 26 november 2003.

Bij brief van 24 december 2003 heeft verweerder medegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellante sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben laten vertegenwoordigen. Verder zijn daar verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.J.M. Timmermans, ambtenaar bij de provincie, en de gemeenteraad van Gennep, vertegenwoordigd door E.M. Ledder, gemachtigde, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan bevat een nieuwe planologische regeling voor de kern Milsbeek, gelegen ten noordwesten van de kern Gennep aan de oostzijde van de N271. Het plan actualiseert het geldende plan onder meer op het punt van de mogelijkheden voor de nieuwbouw van woningen. Verweerder heeft het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Appellanten betogen allen dat het plan ten onrechte niet voorziet in woningbouwmogelijkheden op hun percelen, dan wel (in het geval van [appellante sub 2]) in de mogelijkheid de bestaande bebouwing voor woondoeleinden te gebruiken. Zij zijn van mening dat verweerder in zoverre goedkeuring aan het plan had moeten onthouden.

2.3.1. [appellant sub 1] is van mening dat het plan ten onrechte niet voorziet in een woningbouwmogelijkheid voor zijn perceel [locatie sub 1], op de hoek Helweg/Langstraat. Appellant stelt dat op de hoek Langstraat/Rozenbroek wél een woning mocht worden gebouwd en hij doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Voorts stelt appellant dat ambtenaren van de gemeente hebben toegezegd dat in het plan een bouwmogelijkheid voor zijn perceel zou worden opgenomen en dat hij op deze toezeggingen mocht vertrouwen.

2.3.2. [appellante sub 2] is van mening dat het plan ten onrechte niet voorziet in een woonbestemming voor haar voormalige boerderij op het perceel [locatie sub 2]. Appellante stelt dat de percelen [locatie sub 3] (een voormalige maalderij) en [locatie sub 4] (een voormalige kippenschuur) wél een woonbestemming hebben gekregen. Op grond van het gelijkheidsbeginsel is appellante van mening dat ook haar perceel voor woondoeleinden had moeten worden bestemd. De boerderij wordt volgens appellante sinds begin jaren ’80 niet meer voor agrarische doeleinden gebruikt. De voormalige bedrijfswoning bij de boerderij is afgesplitst en bestemd als burgerwoning. Het perceel ligt bovendien tussen lintbebouwing. Een woonbestemming voor het perceel ligt volgens appellante dan ook in de rede. Zij is van mening dat de bestemming “Opslagdoeleinden B(o)” geen zinvolle bestemming is, omdat het pand niet voor opslagdoeleinden wordt gebruikt. Zij wijst erop dat het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle boerderij door het plan in gevaar komt.

2.3.3. [appellanten sub 3] wensen voor hun perceel [locatie sub 5], zoals in het vorige bestemmingsplan, de mogelijkheid hier een woning te bouwen. Zij wijzen op de woningen die op naastgelegen percelen ([locatie sub 6]) zijn gebouwd en beroepen zich op het gelijkheidsbeginsel. De stelling van verweerder dat het bouwen van een woning op het voorste gedeelte van het perceel [locatie sub 5] ertoe zou leiden dat de bestaande woning op het achterste perceelsgedeelte niet meer bereikbaar zou zijn, is volgens appellanten onjuist. Ook de openheid van het gebied en de bestaande zichtlijnen worden volgens appellanten niet aangetast door de bouw van een woning op deze plaats.

2.3.4. [appellanten sub 4] wenst de mogelijkheid een woning te bouwen tussen [locatie sub 7] en [locatie sub 8], op het perceel kadastraal bekend als gemeente Gennep, sectie D, no. 3580. Appellanten zijn van mening dat wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten voor het toekennen van woonbestemmingen op inbreidingslocaties.

Ook anderszins bestaan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening volgens appellanten geen bezwaren tegen het bouwen van een woning op hun perceel. Het woningbouwcontingent van de regio Maasduinen biedt voldoende ruimte voor de door appellanten gewenste bouwmogelijkheid. Appellanten vermoeden dat het gemeentebestuur voorrang geeft aan gemeentelijke bouwplannen boven particuliere initiatieven, hetgeen volgens hen in strijd is met het verbod van détournement de pouvoir.

2.3.5. [appellanten sub 5] is van mening dat aan de percelen kadastraal bekend als gemeente Gennep, sectie D, nos. 3098, 1754, 1755 en 1756 ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Appellanten stellen dat zij sinds 1975 proberen de agrarische bestemming van hun percelen gewijzigd te krijgen in een woonbestemming met het doel hier enkele woningen te bouwen. Zij zijn van mening dat wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten voor het toekennen van woonbestemmingen en dat het woningbouwcontingent voor de gemeente Gennep hiertoe voldoende ruimte biedt. Appellanten vermoeden dat het gemeentebestuur voorrang geeft aan gemeentelijke bouwplannen boven particuliere initiatieven, hetgeen volgens hen in strijd is met het verbod van détournement de pouvoir.

2.4. De gemeenteraad heeft overwogen dat het aantal woningen dat in de kern Milsbeek kan worden gebouwd, wordt beperkt door provinciale richtcijfers voor woningbouw in Gennep. Het plan is daarom voor wat betreft nieuwbouwmogelijkheden conserverend van aard. In het plangebied zijn vrijwel geen nieuwbouwmogelijkheden opgenomen.

Hierop heeft de gemeenteraad een uitzondering gemaakt voor bouwrechten die al in het vorige bestemmingsplan bestonden en die uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nog steeds aanvaardbaar zijn. Gelet op het open dorpskarakter van Milsbeek mogen met name in het westelijke deel van het plangebied slechts vrijstaande woningen worden gebouwd.

Verder acht de gemeenteraad van belang dat nieuwbouwlocaties een goede ontsluiting naar de openbare weg hebben en dat woningen op deze plaatsen bestaande zichtlijnen niet doorbreken. Het bouwen van woningen binnen hindercirkels van bedrijven acht de gemeenteraad evenmin aanvaardbaar.

2.4.1. Over de door [appellant sub 1] gewenste bouwmogelijkheid heeft de gemeenteraad verder overwogen dat in het vorige bestemmingsplan geen bouwmogelijkheid voor het perceel bestond. Op grond van het gemeentelijke beleid is daarom ook in het nieuwe bestemmingsplan geen bouwmogelijkheid opgenomen. De gemeenteraad ziet in het geval van appellant geen reden van dit beleid af te wijken. Gezien de ligging van het perceel binnen de 18 meter-rooilijn en op korte afstand van een transformatorgebouwtje, acht de gemeenteraad de bouw van een woning op deze plaats niet aanvaardbaar. De gemeenteraad is van mening dat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan bouwvergunningen die op grond van het vorige bestemmingsplan zijn verleend.

2.4.2. De gemeenteraad is van mening dat de bestemming “Opslagdoeleinden B(o)” voor de boerderij van [appellante sub 2] in overeenstemming is met het bestaande gebruik van het pand. In het vorige bestemmingsplan was het perceel bestemd voor agrarische doeleinden.

Gelet op het gemeentelijke beleid dat aan het plan ten grondslag is gelegd, ziet hij geen aanleiding de boerderij thans te bestemmen voor woondoeleinden. De gemeenteraad bestrijdt de stelling van appellante dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De gevallen waar appellante naar verwijst, betreffen bestaande woningen. Volgens de gemeenteraad is daarom geen sprake van gelijke gevallen. Voorts overweegt de gemeenteraad dat het feit dat de boerderij wellicht van cultuurhistorische waarde is, geen reden is hieraan een woonbestemming toe te kennen.

Ook overigens ziet de gemeenteraad in het geval van appellante geen reden voor afwijking van zijn beleid.

2.4.3. De gemeenteraad ziet op grond van zijn beleid evenmin reden voor het perceel van [appellanten sub 3] een nieuwbouwmogelijkheid in het plan op te nemen. Indien op dit perceel een woning wordt gebouwd, zou de bestaande woning [locatie sub 5] volgens de gemeenteraad niet meer rechtstreeks vanaf de openbare weg te bereiken zijn. De “achterafsituatie” die zo ontstaat, acht hij in strijd met eerder genoemd beleid. Hij ziet geen reden in het geval van appellanten hiervan af te wijken.

2.4.4. Op het perceel van [appellanten sub 4] bestond volgens de gemeenteraad in het vorige bestemmingsplan geen bouwmogelijkheid. Gelet op het beleid dat aan het nieuwe plan ten grondslag is gelegd, ziet hij geen reden in dit plan een nieuwbouwmogelijkheid op te nemen. Hetgeen appellanten naar voren brengen over de richtcijfers voor woningbouw brengt de gemeenteraad niet tot een ander standpunt.

2.4.5. De gemeenteraad heeft het perceel van [appellanten sub 5] bestemd als “Agrarische doeleinden zonder bebouwing A(zb)”. In het vorige plan was volgens de gemeenteraad voor het perceel geen bouwmogelijkheid opgenomen. Gelet op de uitgangspunten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, acht de gemeenteraad de door appellanten gewenste aanduiding “nieuwbouwwoningen toegestaan” niet aanvaardbaar.

2.5. Verweerder acht de keuze van de gemeenteraad voor een conserverend plan waarin nagenoeg geen nieuwbouwmogelijkheden zijn opgenomen, in overeenstemming met het provinciale beleid en ook overigens niet onredelijk.

Ook stemt verweerder in met de door de gemeenteraad geformuleerde uitgangspunten voor uitzonderingen op het restrictieve nieuwbouwbeleid. Hij is van mening dat in de gevallen van appellanten op grond van het gemeentelijke beleid terecht geen nieuwbouwmogelijkheden zijn toegekend. Volgens verweerder zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die nopen tot een uitzondering op het beleid. Ook overigens acht verweerder het plan in de gevallen van appellanten niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft het plan in zoverre dan ook goedgekeurd.

2.6. De Afdeling overweegt het volgende.

Op grond van het Regionaal Volkshuisvestingsplan regio Maasduinen en het gemeentelijke woningbouwprogramma tot 2010 resteert nog slechts een zeer beperkt aantal nieuwbouwmogelijkheden voor de kern Milsbeek. Het gebied Zwarteweg, dat deel uitmaakt van bestemmingsplan “Omgeving Zwarteweg”, is door de gemeenteraad aangewezen als nieuwbouwlocatie. De gemeenteraad heeft ervoor gekozen het beschikbare woningbouwcontingent voornamelijk op deze locatie in te zetten.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het standpunt van [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] dat de gemeenteraad hiermee zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft gebruikt voor een ander doel dan dat waarvoor deze bevoegdheid is verleend. Dit betoog van appellanten faalt dan ook.

2.7. Op grond van het beschikbare woningbouwcontingent en om het dorpskarakter van Milsbeek te behouden, zijn in het plan vrijwel geen nieuwbouwmogelijkheden opgenomen.

Voor het toekennen van incidentele bouwmogelijkheden heeft de gemeenteraad een aantal uitgangspunten opgesteld.

Indien in het vorige plan geen bouwmogelijkheid was opgenomen, is ook in het nieuwe plan niet voorzien in een bestemming op grond waarvan een nieuwe woning kan worden gebouwd. Hetzelfde geldt voor bestaande bebouwing die in het vorige plan geen woonbestemming had. Deze panden zijn ook in het voorliggende plan niet als woning bestemd.

Indien het vorige plan wél voorzag in een nieuwbouwmogelijkheid maar van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt, is deze slechts in het nieuwe plan opgenomen indien het een inbreidingslocatie betreft die niet in de hindercirkel van een bedrijf ligt of anderszins niet aanvaardbaar is uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Gelet op het karakter van met name het westelijke deel van het plangebied mogen hier op grond van het gemeentelijke beleid slechts vrijstaande woningen worden gebouwd die vanaf de openbare weg goed bereikbaar zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid kunnen instemmen met dit beleid.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of verweerder zich op grond van dit beleid in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet opnemen van woonbestemmingen in de gevallen van appellanten niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht.

2.8. Voor het perceel van [appellant sub 1], was in het vorige bestemmingsplan geen bouwmogelijkheid opgenomen. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat het toekennen van een nieuwbouwmogelijkheid aan dit perceel in strijd zou zijn met het hiervoor genoemde gemeentelijke beleid. Niet gebleken is dat verweerder in het geval van appellant niet in redelijkheid aan het beleid heeft kunnen vasthouden.

Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het perceel op de hoek Langstraat/Rozenbroek overweegt de Afdeling dat voor dit perceel een bestaande bouwmogelijkheid gold onder het oude bestemmingsplan. De situatie hoek Langstraat/Rozenbroek komt dan ook niet overeen met de thans aan de orde zijnde situatie. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat in het plan een bouwmogelijkheid voor zijn perceel zou worden opgenomen. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond daarom geen aanleiding om op die grond goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.8.1. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is daarom ongegrond.

2.9. Het pand van [appellante sub 2] aan de [locatie sub 2] maakte samen met het pand [locatie sub 9] deel uit van een boerderij. Onder het vorige bestemmingsplan waren beide panden bestemd als “Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)”. [locatie sub 9] was de bedrijfswoning en het pand van appellante was in gebruik voor agrarische (opslag)doeleinden. Toen appellante het pand in 1996 kocht, was de voormalige bedrijfswoning reeds afgesplitst van de overige bedrijfsbebouwing.

[locatie sub 2] is in het plan bestemd als “Opslagdoeleinden B(o)”. Het pand kende ook onder het vorige bestemmingsplan geen woonbestemming. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat het toekennen van een woonbestemming in het plan in strijd zou zijn met het eerder genoemde gemeentelijke beleid.

Over de door appellante gemaakte vergelijking met andere voormalige boerderijen overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

Ook in de andere door appellante naar voren gebracht omstandigheden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder in haar geval niet in redelijkheid aan het beleid heeft kunnen vasthouden. Verweerder heeft dan ook kunnen instemmen met de beslissing van de gemeenteraad een woonbestemming voor [locatie sub 2] te weigeren.

Naar het oordeel van de Afdeling werpt appellante echter terecht de vraag op of de bestemming “Opslagdoeleinden B(o)” een zinvolle bestemming voor het pand is. Het pand van appellante wordt niet voor opslagdoeleinden gebruikt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling niet aannemelijk dat deze bestemming binnen de planperiode gerealiseerd zal worden. Voorts acht de Afdeling de stelling van appellante dat deze bestemming aan het behoud van het ook naar de mening van de gemeenteraad en verweerder historisch waardevolle pand in de weg kan staan, aannemelijk.

2.9.1. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan op dit punt goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit voor wat betreft de bestemming van [locatie sub 2] dient te worden vernietigd.

Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de bestemming “Opslagdoeleinden B(o)” van [locatie sub 2].

2.10. Op het perceel van [appellanten sub 3] aan de [locatie sub 5] kon op grond van het oude plan een woning worden gebouwd. Op grond van het door de gemeenteraad gevoerde beleid zou deze bouwmogelijkheid in beginsel in het nieuwe bestemmingsplan worden overgenomen. In het plan is deze mogelijkheid echter komen te vervallen.

Verweerder stelt dat appellanten voldoen aan het uitgangspunt dat alleen bestaande bouwmogelijkheden in het plan worden overgenomen, maar dat de bouw van een tweede woning op hun perceel uit een stedenbouwkundig oogpunt niet langer gewenst is.

Vast staat dat op vrijwel alle percelen aan het westelijke deel van de Langstraat en het zuidelijke deel van de Rozenbroek twee woningen zijn gebouwd: één op het voorste deel van het desbetreffende perceel en één op het achterste deel. Slechts op twee percelen aan de Langstraat, waaronder dat van appellanten, staat telkens één woning. In 1996 heeft het college van burgemeester en wethouders voor het laatst een bouwvergunning voor het bouwen van een tweede woning verleend. Ook voor percelen kleiner dan dat van appellanten zijn bouwvergunningen voor een tweede woning verleend. De achterste woning wordt in deze gevallen ontsloten door een weggetje aan de zijkant van het perceel of door een zogenoemde cul-de-sac. Ter zitting is gebleken dat ook het perceel van appellanten breed genoeg is om de bestaande woning aan [locatie sub 5] op deze manier te ontsluiten. De stelling van verweerder dat de woning op het achterste deel van het perceel niet meer rechtstreeks vanaf de openbare weg is te bereiken indien op het voorste perceelsgedeelte een woning wordt gebouwd, is dan ook onjuist. Evenmin is aannemelijk dat de bestaande zichtlijnen en de nog resterende openheid in het gebied door de bouw van een tweede woning op het perceel worden aangetast. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende waarom het gestelde stedenbouwkundige belang één van de laatste twee open plekken aan de Langstraat/Rozenbroek niet te bebouwen zwaarder moet wegen dan het belang van appellanten bij het behoud van deze bestaande mogelijkheid.

2.10.1. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit voor wat betreft de bestemming van het perceel [locatie sub 5] wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.11. De gronden van de [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] aan het Heiveld hadden onder het vorige plan een uit te werken bestemming “Bungalows”. In het nieuwe plan zijn deze uit te werken woonbestemmingen komen te vervallen.

Verweerder is van mening dat appellanten onder het vorige bestemmingsplan geen geldende bouwrechten hadden en dat zij dus ook in het voorliggende plan niet voor een woonbestemming in aanmerking komen. De vraag of woningbouw op de percelen van appellanten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, heeft verweerder reeds daarom niet beantwoord.

Naar het oordeel van de Afdeling kan de stelling van verweerder dat in deze gevallen geen bestaande bouwrechten bestonden, niet zonder meer worden gevolgd. Het college van burgemeester en wethouders was immers in de gevallen van appellanten op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, verplicht een uitwerkingsplan op te stellen. Hoewel appellanten hierom meerdere keren hebben verzocht, is nooit een uitwerkingsplan opgesteld. Voor andere percelen aan het Heiveld met dezelfde bestemming zijn tussen 1980 en 1990 wel uitwerkingsplannen opgesteld. Uit de stukken blijkt dat zowel het perceel van [appellanten sub 4] als dat van [appellanten sub 5] in de bebouwde kom liggen en worden omgeven door lintbebouwing.

Onder deze feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling een nadere afweging over de planologische aanvaardbaarheid van woningbouw op de percelen van appellanten niet achterwege kunnen laten.

2.11.1. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit voor wat betreft de bestemmingen van hun percelen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.12. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] te worden veroordeeld. Voor wat betreft [appellante sub 2] is echter niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor een proceskostenveroordeling voor [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 16 september 2003, kenmerk 2003/39802, voorzover het betreft de goedkeuring van:

a. de bestemming “Opslagdoeleinden B(o)” voor het perceel [locatie sub 2] van [appellante sub 2],

b. de bestemming voor het perceel [locatie sub 5] van [appellanten sub 3],

c. de bestemming voor het perceel tussen [locatie sub 7] en [locatie sub 8], kadastraal bekend als gemeente Gennep, sectie D, no. 2580 van [appellanten sub 4], en

d. de bestemming voor het perceel aan het Heiveld, kadastraal bekend als gemeente Gennep, sectie D, nos. 3098, 1754, 1755 en 1756 van [appellanten sub 5];

III. onthoudt goedkeuring aan de bestemming “Opslagdoeleinden B(o)” voor het perceel van [appellante sub 2] aan [locatie sub 2];

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit onder II.a. is vernietigd;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2066,05, welk bedrag als volgt door de provincie Limburg aan appellanten dient te worden betaald:

- [appellanten sub 3]: € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

- [appellanten sub 4]: € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

- [appellanten sub 5] € 778,05, welk bedrag gedeeltelijk is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de provincie Limburg aan [appellante sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4] en [appellanten sub 5] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht (€ 116,00 voor elk van hen) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Nollen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Nollen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004

332.