Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200306228/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen het wijzigingsplan "Emmen, industrie- en bedrijventerrein Bargermeer" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/1405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306228/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], gevestigd te Emmen,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Emmen,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen het wijzigingsplan "Emmen, industrie- en bedrijventerrein Bargermeer" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 juli 2003, kenmerk RW/A5/2003006346, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 15 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2003, en appellante sub 2 bij brief van 19 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2004, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. K.E.A. Mutsaers, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. A.T. Hiddema, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn het college van burgemeester en wethouders van Emmen, vertegenwoordigd door mr. I.T. Herder, ambtenaar van de gemeente, en J. Samsom, bijgestaan door mr. P.J. van Steen, advocaat te Hoogeveen, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het wijzigingsplan wordt beoogd de vestiging van een prostitutiebedrijf mogelijk te maken op het perceel [locatie] te Emmen. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 0, vierde lid, van de "Partiële herziening van de voorschriften van diverse bestemmingsplannen van de gemeente Emmen ten aanzien van prostitutie- en escortbedrijven".

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het wijzigingsplan goedgekeurd.

2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij stellen dat de vestiging van een prostitutiebedrijf niet past op het bedrijventerrein Bargermeer.

[appellant sub 1] vreest een ernstige aantasting van de goede naam van het bedrijf en van de reputatie van de wijk. Voorts vreest hij omzetverlies, geluids- en verkeersoverlast, parkeerproblemen en een gevoel van onveiligheid op straat en stelt hij dat hij onkosten zal moeten maken om zijn bedrijf af te schermen. Deze appellant stelt voorts dat het college van burgemeester en wethouders onvoldoende de mogelijkheid van vestiging op een andere plaats heeft onderzocht.

[appellante sub 2] voert aan dat het vestigen van een prostitutiebedrijf niet is te verenigen met het voornemen tot revitalisering van de wijk, en dat het een negatieve werking op de omringende panden zal hebben.

Voorts kunnen beide appellanten zich niet verenigen met het verloop van de procedure tot vaststelling van het wijzigingsplan.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders stelt zich op het standpunt dat er niet op voorhand van mag worden uitgegaan dat de gekozen plaats de door appellanten aangegeven overlast, risico’s en financiële schade zal meebrengen. Voorts stelt het dat de gekozen plaats voldoende parkeerplaatsen biedt op eigen terrein en goed bereikbaar is en dat bij de exploitatievergunning inrichtingseisen kunnen worden gesteld die een in de omgeving passend aanzien garanderen.

2.5. Verweerder stelt zich in zijn bestreden besluit op het standpunt dat het wijzigingsplan voldoet aan de wijzigingsregeling van de partiële herziening. Hij kan zich verenigen met de wijziging. In de aan het college van burgemeester en wethouders gerichte aanbiedingsbrief van 25 juli 2003 heeft verweerder opgemerkt dat hij zich kan verenigen met de weerlegging van de zienswijzen door dit college.

2.6. Ingevolge artikel 0, tweede lid, van de partiële herziening, voorzover relevant, is het verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken of delen daarvan te gebruiken ten behoeve van het prostitutie- en/of escortbedrijf.

Ingevolge artikel 0, vierde lid, voorzover relevant, kan het college van burgemeester en wethouders in afwijking van het bepaalde in het tweede lid en overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, het gebruik van gebouwen binnen de op bijlage 1 aangegeven bestemmingsplannen wijzigen ten behoeve van de vestiging van een prostitutie- en/of escortbedrijf, mits de locatie aanvaardbaar is vanuit oogpunt van verkeersveiligheid en bereikbaarheid en mits kan worden voorzien in een voldoende aantal parkeerplaatsen en de toe te voegen bedrijfsfunctie in relatie tot het aanwezige woon- en leefklimaat respectievelijk de bestaande functioneel-ruimtelijke structuur van de omgeving als passend kan worden beschouwd.

2.7. De Afdeling stelt vast dat het wijzigingsplan betrekking heeft op de opstal en onbebouwde gronden van het perceel [locatie] Ingevolge artikel 0, vierde lid, van de partiële herziening is het college van burgemeester en wethouders slechts bevoegd het gebruik van gebouwen te wijzigen. Voorzover het wijzigingsplan betrekking heeft op de onbebouwde gronden van het perceel [locatie] is dan ook niet voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden. Gelet hierop is het wijzigingsplan op dit punt in strijd met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vastgesteld. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel van het wijzigingsplan dat nader is aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart. Nu uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding in zoverre aan het wijzigingsplan goedkeuring te onthouden.

2.8. Ingevolge artikel 0, vierde lid, van de partiële herziening is op de voorbereiding van het besluit tot wijziging de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

De Afdeling stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders de in deze afdeling voorgeschreven procedure heeft gevolgd ten aanzien van de totstandkoming van het wijzigingsplan. Het feit dat het college van burgemeester en wethouders eerst heeft besloten het wijzigingsplan niet vast te stellen en nadat het dit besluit na een rechterlijke uitspraak daarover heeft ingetrokken, alsnog heeft besloten tot vaststelling van het plan, doet daar naar het oordeel van de Afdeling niet aan af.

Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders door aldus te handelen het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Tegen het besluit het wijzigingsplan niet vast te stellen stond de mogelijkheid van bezwaar en beroep open, zodat appellanten er niet zonder meer op mochten vertrouwen dat dit besluit in stand zou blijven.

Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 1] dat het college van burgemeester en wethouders hem ten onrechte niet heeft betrokken bij de afhandeling van het bezwaar tegen het besluit het wijzigingsplan niet vast te stellen, overweegt de Afdeling dat dit er niet aan afdoet dat zijn bezwaren tegen het wijzigingsplan door het indienen van een zienswijze bekend waren bij het college en bij de latere vaststelling van het plan zijn meegewogen.

2.9. Ingevolge artikel 11, tweede lid, tweede volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ontvangt het college van gedeputeerde staten met het besluit de bij het college van burgemeester en wethouders ingebrachte zienswijzen. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet aangegeven dat hij instemt met de weerlegging van de zienswijzen door het college van burgemeester en wethouders. Hierdoor is niet duidelijk op welke motivering het besluit van verweerder rust. Dit klemt te meer nu, naar ter zitting is gebleken, verweerder op het moment van het nemen van zijn besluit niet op de hoogte was van alle relevante feiten en omstandigheden. In het bijzonder was hem niet bekend dat het college eerst mede op basis van de zienswijzen had besloten het plan niet vast te stellen omdat het zich niet zou verdragen met een kwalitatieve verbetering van de omgeving, en pas na een rechterlijke uitspraak alsnog tot vaststelling heeft besloten.

Dat verweerder in de aanbiedingsbrief aan het college van burgemeester en wethouders heeft opgemerkt dat hij zich kan verenigen met de weerlegging van de zienswijzen, doet aan dit motiveringsgebrek niet af, aangezien deze brief geen deel uitmaakt van het besluit. De Afdeling neemt hierbij mede in aanmerking dat in de brieven waarbij het besluit aan de indieners van zienswijzen is aangeboden, geen motivering was opgenomen.

2.10. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Derhalve is het beroep van appellanten in zoverre eveneens gegrond en dient het bestreden besluit ook voor het overige te worden vernietigd.

In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking.

2.11. Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 1].

Ten aanzien van [appellante sub 2]. is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 21 juli 2003, RW/A5/2003006346;

III. onthoudt goedkeuring aan het op de aangehechte kaart gearceerde deel van het wijzigingsplan;

IV. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het onder III genoemde plandeel in de plaats treedt van het besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Drenthe in de door [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Drenthe te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de provincie Drenthe aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00 ieder afzonderlijk) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004.

176-448.