Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6111

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200305879/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) aan de maatschap [verzoekers rechtbank] een tegemoetkoming toegekend op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: de WTS1-regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305879/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juli 2003 in het geding tussen:

[verzoekers rechtbank], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) aan de maatschap [verzoekers rechtbank] een tegemoetkoming toegekend op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: de WTS1-regeling).

Bij besluit van 20 juli 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2003, verzonden op 23 juli 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat de Staatssecretaris ten aanzien van de schade aan de pootaardappels een nieuwe beslissing op bezwaar zal nemen, dat ten aanzien van “besparingen eigen mechanisatie” deze uitspraak in de plaats treedt van dit vernietigde deel van het vernietigde besluit en dat de besparende kosten op € 113,48 per hectare moeten worden vastgesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris, bij brief van 2 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2003 hebben [verzoekers rechtbank] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. ing. R.Th.G. van der Veldt, advocaat te Diemen, en [verzoekers rechtbank], vertegenwoordigd door mr. E.A.C. Spoormakers, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet), voor zover hier van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in onder meer teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht.

2.2. In de Beleidsregels voor de toekenning van teeltplanschade op grond van de WTS1-regeling 1998 (Staatscourant 1998, nr. 208, blz. 9) (hierna: de Beleidsregels) heeft de Staatssecretaris bekend gemaakt welke grondslagen worden gehanteerd voor de berekening van de voor vergoeding in aanmerking komende teeltplanschade. In de bijlage bij deze Beleidsregels is ter berekening van de voor een tegemoetkoming in aanmerking komende teeltplanschade, voor pootaardappelen een normbedrag opgenomen van ƒ 14.850,00 (€ 6738,64).

2.3. Appellant betoogt in hoger beroep in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het onderhavige geval sprake is van een significant hogere opbrengst, hetgeen een tegemoetkoming rechtvaardigt op grond van de werkelijk geleden schade aan de door [verzoekers rechtbank] geteelde pootaardappelen, in plaats van op grond van de norm.

2.3.1. Zoals de Afdeling herhaaldelijk heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 18 september 2002 in zaak no. 200106074/1 (www.raadvanstate.nl) mogen in beginsel de KWIN-normbedragen in de bijlage bij de beleidsregels, waarvan de juistheid als algemeen uitgangspunt door [verzoekers rechtbank] ook niet is betwist, worden toegepast. Toepassing van deze normen komt in strijd met artikel 4, eerste lid, aanhef onder e, van de Wet, als [verzoekers rechtbank] aannemelijk kunnen maken dat zijn productiemethode zodanig afwijkt van de productiemethode van de bedrijven waarop de gegevens van de KWIN zijn gebaseerd, dat de norm niet aansluit op de redelijkerwijs te verwachten opbrengst van de door hem geteelde pootaardappelen.

2.3.2. De rechtbank heeft overwogen dat de bruto-opbrengsten bij [verzoekers rechtbank], afhankelijk van de wijze van berekening, volgens appellant tussen de 26,7% en 19,7% hoger liggen dan de KWIN-norm. Dit heeft de rechtbank tot de conclusie geleid dat sprake is van een significant hogere opbrengst welke een tegemoetkoming op grond van de werkelijk geleden schade in plaats van op grond van de norm rechtvaardigt. Die conclusie kan echter naar het oordeel van de Afdeling op grond van de genoemde cijfers niet zonder meer worden getrokken. Evenmin kan evenwel worden staande gehouden dat bij de bestreden beslissing op bezwaar voldoende onderbouwd is dat en waarom de gebleken afwijking niet significant is. Eerst ter zitting is dienaangaande van de zijde van appellant gesteld dat uit telefonisch ingewonnen informatie van de instantie die de KWIN-norm heeft berekend, is gebleken dat de afwijkingspercentages blijven binnen de bandbreedte van de percentages waarop de KWIN-norm is gebaseerd en derhalve ten opzichte van die norm geen significante afwijking inhouden. Nu zulks bij de beslissing op bezwaar niet is vermeld en onderbouwd, noch overigens uit de stukken naar voren is gekomen wat die bandbreedte is, gaat de Afdeling daaraan voorbij. De rechtbank is dan ook, zij het op onjuiste grond, terecht tot de slotsom gekomen dat de bestreden beslissing op bezwaar op dit punt niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.

2.4. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank, nadat zij de beslissing op bezwaar heeft vernietigd voor zover deze ziet op de in de berekening van de schade opgenomen post “besparingen eigen mechanisatie”, ten onrechte op dit onderdeel van die beslissing zelf voorziend heeft bepaald dat de besparende kosten worden vastgesteld op €113,48 (ƒ250,00). Hij heeft daarbij aangevoerd dat – anders dan de rechtbank kennelijk meent – bij de berekening van deze besparingen de kosten van de voorafgaand aan de regenval reeds door [verzoekers rechtbank] verrichte loofdoding niet zijn meegeteld, zodat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat deze kosten van het berekende bedrag aan besparingen dienen te worden afgetrokken.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Hoewel zulks – zoals ook door appellant is erkend – uit de bestreden beslissing op bezwaar niet naar voren komt, heeft appellant met het overleggen van nadere informatie van het Bureau Coördinatie Expertise-organisaties (het BCE), dat de taxatie van de door [verzoekers rechtbank] geleden schade ten behoeve van de WTS1-regeling heeft verricht, ter zake van de in de berekening van de “besparingen eigen mechanisatie” opgenomen posten duidelijk gemaakt dat de kosten voor loofdoding niet zijn meegerekend. Van de zijde van [verzoekers rechtbank] wordt deze informatie ook niet betwist.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij is bepaald dat ten aanzien van “besparingen eigen mechanisatie” deze uitspraak in de plaats treedt van het daarop betrekking hebbende deel van de vernietigde beslissing op bezwaar en bepaald dat de besparende kosten op €113,48 (ƒ250,00) per hectare moeten worden vastgesteld.

2.6. De Afdeling merkt ten slotte op dat nu [verzoekers rechtbank] niet zelf hoger beroep hebben ingesteld niet kan worden ingegaan op hetgeen in de memorie van antwoord van 23 oktober 2003 in reactie op het hoger-beroepschrift van appellant naar voren is gebracht ter zake van de berekening van de certificering- en plomberingskosten.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juli 2003, 01/1472BESLU, voorzover daarbij is bepaald dat ten aanzien van "besparingen eigen mechanisatie” deze uitspraak in de plaats treedt van het daarop betrekking hebbende deel van de vernietigde beslissing op bezwaar en bepaald dat de besparende kosten op €113,48 (ƒ250,00) per hectare moeten worden vastgesteld;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004

47-362.