Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200305517/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft het college aan [partij] ontheffing verleend van het verbod om zonder vergunning een kampeerterrein te houden aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305517/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats] respectievelijk [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juli 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2002 heeft het college aan [partij] ontheffing verleend van het verbod om zonder vergunning een kampeerterrein te houden aan de [locatie] te [plaats].

Bij uitspraak van 10 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep door appellanten ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij] Deze zijn aan partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. D.J. Gutter, advocaat te Utrecht, en [een van de appellanten] in persoon, alsmede het college, vertegenwoordigd door G. Rikhof, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [partij] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wor kan ontheffing van het verbod worden verleend voor het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste tien kampeermiddelen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wor kan – voorzover hier van belang - een ontheffing slechts worden verleend:

a. indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. voorzover het bestemmingsplan zich er niet tegen verzet.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wor, - voorzover hier van belang - kunnen burgemeester en wethouders in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een ontheffing beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.

2.2. Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in de door hen aangevoerde gronden geen aanleiding behoefde te zien de ontheffing te weigeren. Zij voeren daartoe onder meer aan dat ten aanzien van de verkeerssituatie geen rekening is gehouden met de mogelijkheid om voor kortere perioden het aantal kampeermiddelen uit te breiden tot vijftien en dat onduidelijk is waar de gasten moeten parkeren. Voorts betogen zij dat de rust en de gezondheid van de gasten in geding zullen komen vanwege het gebruik van gaskanonnen en bestrijdingsmiddelen voor hun boomgaarden. Ten slotte stellen zij schade te leiden als gevolg van de komst van het kampeerterrein.

2.3. Niet in geschil is dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied gemeente Maurik, gedeeltelijke herziening D (1983)” zich niet verzet tegen een ontheffing voor het houden van een kampeerterrein.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het standpunt heeft kunnen innemen dat niet behoeft te worden gevreesd dat de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de komst van het kampeerterrein zal leiden tot onaanvaardbare overlast of onveilige situaties. De Afdeling betrekt daarbij ook dat het verkeer van en naar het kampeerterrein voor driehonderd meter over de Wielseweg rijdt en daarbij langs één woning komt. Voor het standpunt van appellanten dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat in bepaalde perioden vijftien kampeermiddelen mogen worden geplaatst, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten.

Het betoog van appellanten dat onduidelijk is waar moet worden geparkeerd door gasten van de bezoekers van het kampeerterrein slaagt niet. Gelet op de stukken en het ter zitting verhandelde is vast komen te staan dat de dikke lijn op de bij de ontheffing behorende kaart de plaats aangeeft waar de beplanting moet worden aangebracht en dat zowel de bezoekers van het kampeerterrein als hun gasten moeten parkeren in de directe nabijheid van de kampeermiddelen. Gesteld noch gebleken is dat, gelet op het aantal kampeermiddelen, de grootte van het terrein hieraan in de weg staat.

In hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd ten aanzien van het verstoren van de rust van de gasten van het kampeerterrein, ziet de Afdeling, gelet op het aantal toegestane kampeermiddelen, de voorwaarden behorende bij de ontheffing en de mogelijkheden tot handhaving, met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college om die reden de ontheffing had moeten weigeren.

Wat betreft de vrees voor lawaai als gevolg van het gebruik van onder meer gaskanonnen door appellanten is de rechtbank tot een juist oordeel gekomen. Appellanten hebben in hoger beroep geen argumenten aangevoerd die een ander licht werpen op de zaak in zoverre.

Niet in geding is dat om de boomgaarden van appellanten ingevolge het geldende bestemmingsplan geen zogeheten spuitzones zijn opgenomen. De Afdeling volgt appellanten niet in hun standpunt dat de conclusies uit het in opdracht van het college door Meteoconsult opgestelde rapport met betrekking tot de meest voorkomende windrichting onjuist zijn. In hetgeen appellanten overigens op dit punt hebben betoogd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college niet het standpunt heeft kunnen innemen dat, gelet op de ligging van het kampeerterrein ten opzichte van de boomgaarden en de meest voorkomende windrichting, voor het ontstaan van onaanvaardbare gezondheidsschade aan gebruikers van het kampeerterrein bij een verantwoord gebruik van geoorloofde bestrijdingsmiddelen niet behoeft te worden gevreesd. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie.

Ten aanzien van de door appellanten gestelde waardevermindering van hun percelen is de Afdeling van oordeel dat het door hen in hoger beroep overgelegde taxatierapport niet afdoet aan het oordeel van de rechtbank hieromtrent. De inhoud ervan is niet zodanig dat dit tot de conclusie leidt dat het college onzorgvuldig of onterecht heeft besloten.

Gelet op al het vorenstaande heeft de rechtbank op goede gronden en juist geoordeeld dat het college de ontheffing heeft kunnen verlenen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004

290.