Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200305274/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2002 heeft de gemeenteraad van Haarlemmermeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2002, het bestemmingsplan "Recreatiegebied De Liede" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305274/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2002 heeft de gemeenteraad van Haarlemmermeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2002, het bestemmingsplan "Recreatiegebied De Liede" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 juni 2003, kenmerk 2002-48220, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 8 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 oktober 2003.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. Th.F. Roest, advocaat te Haarlem, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad van Haarlemmermeer, vertegenwoordigd door ing. C.M.M. Blankenstijn en J.A. Krikke, ambtenaren van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan behelst de planologische regeling voor enkele recreatieterreinen en daaraan grenzende gronden bij Nieuwebrug. Het voorziet onder meer in de bestemming "Groenverbindingszone" voor het perceel van appellanten.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Groenverbindingszone". Zij stellen dat een recreatieve bestemming meer in overeenstemming is met het streekplan.

Voorts bestrijden appellanten dat er rijksbeleid of provinciaal beleid is dat aanleiding geeft tot deze bestemmingswijziging. Zij zijn van mening dat de gemeenteraad het plan slechts in procedure heeft gebracht om de intrekking van een aan hen verleende bouwvergunning voor tuinhuisjes te ondersteunen.

Daarnaast stellen zij dat de bestemming niet verwezenlijkt kan worden, nu zich in de nabijheid van het perceel een als zodanig bestemd volkstuincomplex en de snelweg bevinden en in de buurt bedrijfsmatige activiteiten worden ontplooid.

2.4. De gemeenteraad acht de in het voorgaande plan voorziene bestemming "Volkstuinen", die voor het overgrote deel van het perceel niet is gerealiseerd, niet meer passend voor het perceel. Hij stelt zich op het standpunt dat dit perceel op basis van diverse overheidsplannen een onderdeel dient uit te maken van een verbindingszone tussen verschillende natuurgebieden.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijk ordening te achten. Hij stemt in met het standpunt van de gemeenteraad. Hij stelt dat de gemeenteraad de diverse beleidsplannen binnen de aan de raad toekomende beleidsvrijheid op passende wijze heeft uitgewerkt.

2.6. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Groenverbindingszone" aangegeven gronden bestemd voor groenvoorzieningen in de vorm van open terrein, met als doel andere groengebieden met elkaar te verbinden.

Het plan voorziet aldus, in tegenstelling tot het vorige plan, niet in de mogelijkheid tuinhuisjes te bouwen op het perceel. De Afdeling overweegt te dien aanzien dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad komt de vrijheid toe om op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vast te stellen.

Uit de stukken valt af te leiden dat de gemeenteraad met het bestemmingsplan uitwerking heeft willen geven aan het beleid zoals dat onder meer is neergelegd in het streekplan en in de beleidsnota Raamplan Haarlemmerméér Groen (april 2000), het rapport Groene wegen (januari 1999) en de bij dit rapport behorende uitvoeringsnotitie Samen werken aan groene wegen in het Noord-Hollandse landschap (1999). Uit deze stukken blijkt het voornemen tot de aanleg van groenverbindingszones tussen natuurgebieden. Voorzover het de omgeving van het plangebied betreft, is het beleid gericht op de aanleg van groengebieden en voorziet het in een ecologische verbindingszone tussen de natuurgebieden in de Haarlemmermeer en Spaarnwoude. Verweerder heeft geen aanleiding behoeven te zien voor de conclusie dat er geen provinciaal en rijksbeleid is dat aanleiding geeft tot de gekozen bestemming.

2.6.1. Op de plankaart van het streekplan Noord-Holland Zuid heeft het plangebied de aanduiding recreatiegebied. In de toelichting op de streekplankaart wordt recreatiegebied als volgt omschreven: “Bestaande of toekomstige zone waar de basisfunctie primair is gericht op intensieve en minder intensieve dag- en of verblijfsrecreatie in bestaande en toekomstige buitenstedelijke of stadsrandsituaties. Deze gebieden kunnen mede een functie bezitten voor landschaps- en natuurbouw; soms ook voor landbouw.”

Het plangebied heeft een oppervlakte van bijna 18 hectare. Daarvan is ongeveer 11 hectare bestemd voor intensieve verblijfsrecreatie en de daarbij behorende voorzieningen. Ongeveer 7 hectare van het plangebied heeft de bestemming "Groenverbindingszone". Ingevolge artikel 8, tweede lid van de planvoorschriften zijn hier toegestaan minder intensieve recreatieve functies zoals groenvoorzieningen, waterpartijen, wandelpaden en beperkte vormen van bebouwing, zoals schuilhutten. Nu het plangebied voornamelijk intensieve en minder intensieve recreatieve functies omvat, en een recreatiegebied volgens het streekplan mede de functie natuurbouw kan bezitten, heeft verweerder geen reden hoeven zien om de in het plan voorziene bestemming "Groenverbindingszone" niet in overeenstemming met het streekplan te achten. Dat het perceel niet als ecologische verbindingszone is aangegeven op de streekplankaart maakt dit niet anders.

Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat het plangebied ligt buiten de in het streekplan aangegeven rode contour, die de grens aangeeft van het gebied waarbuiten geen verstedelijking mag plaatsvinden. De aanleg van een nieuw complex tuinhuisjes is ingevolge het provinciale beleid verstedelijking. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat de gemeenteraad in het plan op passende wijze het provinciale en rijksbeleid heeft uitgewerkt. Hij heeft dan ook geen aanleiding behoeven te zien appellanten te volgen in hun stelling dat de gemeenteraad het plan op oneigenlijke gronden in procedure heeft gebracht.

2.6.2. Ten aanzien van de stelling van appellanten dat de bestemming gezien de feitelijke situatie ter plaatse niet kan worden verwezenlijkt overweegt de Afdeling het volgende.

Het perceel betreft grotendeels een open terrein, en volgens eerdergenoemde beleidsstukken bestaat voor het gebied het voornemen tot het verwezenlijken van groenverbindingen. In verband hiermee heeft verweerder geen reden behoeven te zien om aan te nemen dat wat betreft dit open gedeelte van het plandeel met de bestemming "Groenverbindingszone" niet zal worden voldaan aan de doeleindenomschrijving van artikel 8 van de planvoorschriften.

In een hoek van het plandeel met de bestemming "Groenverbindingszone" zijn echter reeds vijf tuinhuisjes gebouwd. Verweerder heeft in zijn besluit niet aangegeven hoe deze bestemming op die gronden verwezenlijkt kan worden.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 3 juni 2003, 2002-48220, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Groenverbindingszone" zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellanten;

V. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004.

176-448.