Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6092

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200305126/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2002, kenmerk 2002/ams/2175, heeft verweerder met toepassing van artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer nadere eisen gesteld met betrekking tot de [inrichting] op het perceel aan de [locatie] te Muiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305126/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Muiden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Muiden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2002, kenmerk 2002/ams/2175, heeft verweerder met toepassing van artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer nadere eisen gesteld met betrekking tot de [inrichting] op het perceel aan de [locatie] te Muiden.

Bij besluit van 4 december 2002, kenmerk 2002/ams/3312, heeft verweerder krachtens artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht aan [partij], exploitant van de inrichting, een last onder dwangsom opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 250,00 per dag met een maximum van

€ 7.500,00 indien de gestelde nadere eisen van 19 augustus 2002 worden overtreden.

Bij besluit van 24 juni 2003, kenmerk 2003/ams/1951, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het door appellant gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 19 augustus 2002 en 4 december 2002 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, gemachtigde,

en verweerder, vertegenwoordigd door G.W. Toebes en A.M. Schulte, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [partij] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant het beroep inzake de last onder dwangsom ingetrokken.

2.2. Het bevoegd gezag kan krachtens artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage van het Besluit opgenomen voorschriften ten aanzien van onder meer geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

In voorschrift 4.1.4 van de bijlage is onder meer bepaald dat het bevoegd gezag, teneinde te bereiken dat aan de voorgeschreven geluidsgrenswaarden wordt voldaan, een nadere eis kan stellen ten aanzien van het aanbrengen van technische voorzieningen en het in acht nemen van gedragsregels binnen de inrichting.

2.3. De bij het bestreden besluit gehandhaafde nadere eisen hebben onder andere betrekking op het aanbrengen van een geluidbegrenzer op de in de inrichting aanwezige muziekinstallatie, het gesloten houden van ramen en deuren tijdens openingstijden, een verbod op het ten gehore brengen van levende muziek, het verwijderen van de bel en de piano en enkele gedragsvoorschriften.

2.4. Appellant stelt regelmatig onaanvaardbare geluidoverlast van de inrichting te ondervinden. Hij betoogt dat verweerder in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld, nu verweerder ongemotiveerd niet alle nadere eisen in zijn besluit van 19 augustus 2002 heeft opgenomen die volgens het akoestisch rapport van Van Gent noodzakelijk zijn.

2.4.1. Verweerder stelt dat de exploitant van de inrichting ten tijde van de beslissing op bezwaar plannen had om de betreffende inrichting te verbouwen. Deze plannen waren voldoende concreet, zodat zij niet in redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de tien additionele nadere eisen die in het in opdracht van de exploitant van de inrichting uitgevoerde akoestisch rapport worden aanbevolen. Bovendien is verweerder van mening dat de huidige nadere eisen het maximaal toegestane binnengeluidniveau van 60 dB(A) voldoende waarborgen. Bij een dergelijk geluidniveau wordt volgens verweerder aan de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden voldaan.

2.4.2. De exploitant van de inrichting heeft opdracht gegeven tot het verrichten van een akoestisch onderzoek naar de geluidisolatie van de inrichting. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het akoestisch rapport van Akoestisch Adviseur Van Gent, kenmerk 010213 GE, van februari 2001 (hierna: het rapport). Het rapport gaat uit van een geluidisolatiewaarde van de huidige inrichting bij een binnengeluidniveau van 60 dB(A). Het rapport concludeert dat indien de exploitant een binnengeluidniveau van 75 tot 80 dB(A) zou willen toepassen, in welk kader het onderzoek was uitgevoerd, er zeventien geluidreducerende voorzieningen getroffen dienen te worden, wil de exploitant aan de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden kunnen blijven voldoen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van gewijzigde plannen met betrekking tot de bedrijfsvoering en dat de exploitant de bedrijfsvoering vooralsnog wil voortzetten met een binnengeluidniveau van 60 dB(A). Voorzover appellant vreest dat de inrichting ook bij een dergelijke bedrijfsvoering een hoger binnengeluidniveau dan 60 dB(A) zal veroorzaken, overweegt de Afdeling dat op grond van de nadere eisen de muziekinstallatie moet zijn voorzien van een geluidbegrenzer die zodanig is afgesteld, dat het muziekgeluidniveau binnen de inrichting niet meer kan bedragen dan 60 dB(A). Tevens verzekeren de overige nadere eisen dat de geluidbronnen die een belangrijke bijdrage leveren aan de totale geluidbelasting veroorzaakt door de inrichting worden beperkt en dat de bijdrage van de naast muziekgeluid resterende geluidbronnen aan de totale geluidbelasting minimaal is.

Gezien deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bij het bestreden besluit gestelde nadere eisen toereikend zijn om bij de huidige bedrijfsvoering de naleving van de voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden te waarborgen.

2.5. Ter zitting heeft de exploitant van de inrichting verklaard dat hij het voornemen heeft in de toekomst de inrichting te exploiteren met een hoger binnengeluidniveau. Verweerder heeft om deze reden de exploitant van de inrichting gevraagd een akoestisch rapport te laten opstellen, waarin het gewenste hogere binnengeluidniveau als uitgangspunt is genomen. Naar aanleiding van het oordeel van de externe milieuadviseur van verweerder op dit recent uitgebrachte rapport heeft verweerder de exploitant van de inrichting om een aanvulling op dit rapport gevraagd. Ter zitting is door verweerder verklaard dat de medewerking van verweerder aan de toekomstige plannen van de exploitant niet op voorhand zeker is gesteld, omdat dit afhankelijk is van de in dat geval in de inrichting noodzakelijk te treffen bouwkundige voorzieningen. In afwachting daarvan zal de exploitant van de inrichting gehouden zijn te voldoen aan de bij het bestreden besluit opgelegde nadere eisen. Voorzover appellant vreest dat de gestelde nadere eisen niet worden nageleefd, voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de mogelijkheid tot het treffen van handhavingsmaatregelen.

2.6. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004

159-460.