Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200303846/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2002 is namens appellant (hierna: de minister) geweigerd een aan hem overgelegd geboortebewijs ten name van [partner] en een huwelijksakte ten name van [partner] en [wederpartij] (hierna: [wederpartij] te legaliseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303846/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 mei 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2002 is namens appellant (hierna: de minister) geweigerd een aan hem overgelegd geboortebewijs ten name van [partner] en een huwelijksakte ten name van [partner] en [wederpartij] (hierna: [wederpartij] te legaliseren.

Bij besluit van 17 september 2002 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit, alsmede het advies van de Adviescommissie consulaire zaken, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 20 mei 2003, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en, voorzover thans van belang, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 juli 2003 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2004, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.T.E. Peters, ambtenaar in dienst van het ministerie, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij een verzoek om legalisatie pleegt de minister bij documenten uit onder meer [land] de inhoud ervan te verifiëren, alvorens over legalisatie wordt besloten. Dit gebeurt, omdat is gebleken dat een aanzienlijk deel van de uit dat land afkomstige aangeboden documenten inhoudelijk niet juist is. Op grond hiervan wordt op voorhand getwijfeld aan de juistheid van de inhoud van zulke documenten. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de inhoud ervan deugdelijk is, door in beginsel bij de aanvraag voldoende, uit schriftelijke, objectieve bronnen afkomstige gegevens te verstrekken om het verificatieonderzoek mogelijk te maken. Indien de twijfel aan de juistheid van de inhoud van het document of een onderdeel daarvan bij het verificatieonderzoek niet wordt weggenomen, wordt legalisatie geweigerd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 mei 2000 in zaak no. 199900131/1 (JB 2000/165), rechtvaardigen negatieve ervaringen met documenten uit onder meer [land], die zich nog steeds voordoen, een beleid dat op voorhand uitgaat van twijfel aan de juistheid van ter legalisatie overgelegde documenten en is dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist.

2.2. De minister heeft het besluit tot weigering van legalisatie van het geboortebewijs in bezwaar gehandhaafd, omdat het verificatieonderzoek geen bevestiging heeft opgeleverd van de in dit document vermelde geboortedatum. Legalisatie van de huwelijksakte is in bezwaar geweigerd op de voet van het zogenoemde koppelingsbeleid, inhoudende dat deze akte niet voor legalisatie in aanmerking komt, omdat de persoonsgegevens van [partner] niet zijn vastgesteld aan de hand van een na verificatie in orde bevonden geboortebewijs. Voorts is tijdens het verificatieonderzoek naar voren gekomen dat [wederpartij] in Nederland getrouwd is geweest, terwijl in de huwelijksakte met betrekking tot zijn burgerlijke staat “unmarried” in plaats van “divorcee” is opgenomen.

2.3. Anders dan de rechtbank overweegt de Afdeling dat de minister, gelet op voormeld beleid, op de daartoe gebezigde gronden legalisatie van het geboortebewijs en de huwelijksakte heeft mogen weigeren. Dat tijdens het verificatieonderzoek door de onderzoeker is geconstateerd dat het “genuine documents” zijn, neemt niet de op voorhand aanwezige twijfel omtrent de juistheid van de inhoud van deze documenten weg, nu deze kwalificatie geen betrekking heeft op de in deze documenten neergelegde persoonlijke gegevens.

Omdat het verificatieonderzoek geen bevestiging heeft opgeleverd van de in het geboortebewijs vermelde geboortedatum, heeft de minister legalisatie van dit document mogen weigeren. Het ontbreken van de bevestiging van de geboortedatum brengt met zich dat de juistheid van de persoons- en afstammingsgegevens van [partner] niet zijn vastgesteld aan de hand van een na verificatie in orde bevonden geboortebewijs, zodat de minister op de voet van het koppelingsbeleid legalisatie van de huwelijksakte evenzeer heeft mogen weigeren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 april 2001 in zaak no. 200005554/01 (ABkort 2001, 331), bestaat geen grond voor het oordeel het standpunt van de minister, dat een geboortebewijs geldt als brondocument voor de vaststelling van de identiteit van een persoon, voor onjuist te houden.

Nog afgezien van het koppelingsbeleid is de onjuiste vermelding van de burgerlijke staat van [wederpartij] in de huwelijksakte, anders dan de rechtbank heeft overwogen, reeds voldoende om te komen tot het oordeel dat de minister legalisatie van dat document heeft mogen weigeren. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, deze onjuiste vermelding hoogstwaarschijnlijk berust op een misverstand, doet aan de onjuistheid hiervan niet af.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de in beroep tegen het besluit van de minister van 17 september 2002 aangevoerde gronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 mei 2003, reg. no. 02/1157 WET;

III. verklaart het in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beerse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004

382.