Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6062

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200302918/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2001 heeft verweerder krachtens de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder in het kader van de reconstructie van de A50 alsmede de aanleg van een nieuw gedeelte van de A50 te Bernheze hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vastgesteld voor onder meer de woningen aan [diverse locaties] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302918/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2001 heeft verweerder krachtens de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder in het kader van de reconstructie van de A50 alsmede de aanleg van een nieuw gedeelte van de A50 te Bernheze hogere grenswaarden voor de geluidbelasting vastgesteld voor onder meer de woningen aan [diverse locaties] te [plaats].

Bij besluit van 25 maart 2003, verzonden op 27 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellanten sub 2 bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2003, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben bij brief van 5 juni 2003 de gronden aangevuld.

Bij brief van 5 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door R.M.P. Broeren, ing. B.G.J. Sonnenberg, ambtenaren bij de provincie, en ing. R.P.A.M. van Kessel, ambtenaar bij het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, directie Noord-Brabant, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij het thans ter beoordeling staande besluit van 25 maart 2003 heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de vaststelling van hogere grenswaarden ten behoeve van 16 woningen ongegrond verklaard. Deze vaststelling houdt onder meer verband met de aanleg en reconstructie van de A50 en de bijbehorende toe- en afritten (omlegging Bernheze).

2.2. Appellanten sub 1 betogen dat verweerder nader had moeten onderbouwen waarom hij heeft vastgehouden aan een normbedrag per woning van ƒ 50.000,-- terwijl het verschil tussen de kosten van de geluidswal van ƒ 150.000,-- en het totale normbedrag voor 2 woningen van ƒ 100.000,-- relatief gering is. Appellanten sub 2 stellen dat verweerder vanwege de waarde van hun woning een hoger normbedrag had moeten hanteren.

2.2.1. Volgens verweerder is gebleken dat toepassing van maatregelen om de geluidbelasting van de betrokken gevels te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overwegende bezwaren ontmoet van onder meer verkeerskundige en financiële aard.

2.2.2. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de wet) is behoudens het in de artikelen 82a, 83 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg 50 dB(A).

Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de wet kunnen gedeputeerde staten – voorzover hier van belang – in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in buitenstedelijk gebied 55 dB(A) en voor woningen in stedelijk gebied 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de wet geldt, behoudens het tweede lid en artikel 100a, als ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg van de gevel van woningen binnen een zone de vóór de reconstructie ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft.

Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de wet kunnen gedeputeerde staten in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidbelasting ondervinden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna: het Besluit) kunnen gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 83 van de wet in die gevallen waarin toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting, vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit kunnen gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 100a, eerste lid, van de wet, in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot de voordien geldende ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.2.3. In het door de Minister van Verkeer en Waterstaat ingediende verzoek om vaststelling van hogere grenswaarden zijn de mogelijke maatregelen om de geluidbelasting tot een lagere waarde te verminderen dan de verzochte hogere waarden in de vorm van bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen, inclusief de daaraan verbonden kosten, omschreven. Wat betreft de overdrachtsmaatregelen hanteert verweerder de regel dat wanneer een overdrachtsmaatregel meer kost dan een bedrag van ƒ 50.000,-- per door de maatregel te beschermen woning, de overdrachtsmaatregel te duur wordt en hogere grenswaarden dienen te worden vastgesteld. Het bedrag van ƒ 50.000,-- per woning heeft verweerder blijkens het bestreden besluit ontleend aan de Saneringsregeling wegverkeerslawaai. De Afdeling gaat ervan uit dat hier bedoeld is de Regeling saneringsprogramma verkeerslawaai. Hoewel de Afdeling het in beginsel niet onredelijk acht dat verweerder wat betreft de vraag of een maatregel kosteneffectief is aansluiting zoekt bij een bestaande regeling, merkt de Afdeling op dat ten tijde van het bestreden besluit ingevolge de Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai een bedrag van € 74.329,20 - als maximale bijdrage per woning aan de kosten van een scherm diende te worden aangehouden. Verweerder heeft aan zijn besluit een andere regeling ten grondslag gelegd zonder nader te motiveren waarom deze regeling en het daarop gebaseerde normbedrag in dit geval dienden te worden gehanteerd. Derhalve komt het bestreden besluit wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering op grond van het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen gegrond zijn. De overige beroepsgronden van appellanten behoeven geen nadere bespreking meer.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig, nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van 25 maart 2003, voorzover daarbij hogere grenswaarden zijn vastgesteld voor de woningen van appellanten sub 1 en de woning van appellanten sub 2;

III. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00 voor appellanten sub 1 en € 116,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004

205.